maandag 16 oktober 2017

Toulze

Een kwarteeuw geleden was Toulze al zichtbaar oud. Daarjuist, op weg naar de bib, waar er een internetverbinding is, heb ik hem weergezien. Nu is hij uiteraard nóg ouder, maar dat is aan hem niet te zien. Toulze temporiseert. In de discipline van het ouder worden heeft hij gaandeweg de techniek van de surplace onder de knie gekregen. De spiegel leert me dat ik hem jaar na jaar aan ’t bijbenen ben.
‘Ha monsieur Toulze’, zeg ik, ‘hoe gaat ‘t ermee?’
‘Oud’, zegt hij. Het is een antwoord dat hij me elk jaar geeft en dat ik met het toenemen der jaren beter leer te begrijpen. Waardoor we nu bijna als gelijken kouten over benen die niet meewillen, zicht dat langzaam achteruitgaat, de nazomer die weer eens meezit, geheugen dat een steek laat vallen, krakende scharnieren en oren die vol watten zitten.
‘Ah, wat wil je’, zegt hij samenvattend, ‘je kunt niet tegelijk zijn en geweest zijn.’  
Daar valt zoveel over te zeggen dat er geen beginnen aan is. Ik hervat mijn tocht. Onderweg denk ik aan Toulzes woorden waarover ik, samen met Heraclites en Hegel, zo mijn twijfels heb,
Beneden, in de bibliotheek, wil ik een stukje over Boris Pilnjak posten, waarover ik boven op de berg iets aan ’t lezen ben, maar dat schuif ik voor me uit. Ik schrijf liever iets over Toulze. Vervolgens schrap ik uit dat stuk alles wat ik zelf bedacht heb over zijn en geweest zijn, over werken en pensioen, over een verleden dat ik van me af wil schudden en dat me blijft achtervolgen, zodat ik uiteindelijk alleen maar Toulze overhoud.
In de bib zit ik met de laptop op schoot naar het resultaat te kijken. Een kleuter komt me een boekje tonen. ‘Tracteur’, zegt hij en hij toont me de kaft waarop een tractor staat. Échelle’, zegt hij en hij wijst naar een ladder. Ik wil hem in retour iets meegeven, iets in het genre dat Toulze me zopas gezegd heeft, iets wat onze leeftijden dichter bij elkaar brengt, maar ik kan niets bedenken. Ik zit nog teveel met één been in het zijn en het andere in het geweest zijn. Ik moet eerst nog een beetje ouder worden, en dat jongetje ook, en dan moeten we, elk op zijn tijd, leren om daar zo lang mogelijk te surplacen.
De juf haalt de jongen bij me weg. (‘Monsieur travaille!’) Ik overloop mijn berichten.

Flor Vandekerckhove

woensdag 11 oktober 2017

Door de bril van de nekker

Op 30 augustus kom ik in een stortbui terecht. Die is zo hevig dat hij me het zicht ontneemt. Ik zoek dekking achter de kerkmuur van 't Sas en wanneer ik me even later weer op weg begeef, zie ik hoe ook een andere figuur zich van de muur losmaakt.
Op straat loopt hij naast me en wanneer ik de Dijkweg insla blijft hij me vergezellen. In mijn metgezel herken ik met toenemende zekerheid het personage waarvan ik hier eerder al een schermafdruk gemaakt heb. Voorwaar, voorwaar, naast me loopt de nekker, kwelgeest die erom bekend staat dat hij onoplettende mensen in het water lokt.
We lopen de Dijkweg af tot aan de Nukkerstraat. Zijn aanwezigheid wordt hier overweldigend, wat logisch is, want de straat heeft zijn naam aan de nekker ontleend.
Ik zeg dat ik hem op Google Street View heb zien staan.
‘Ah’, zegt hij, ‘het internet is wonderbaarlijk. Mocht je weten wat ik hier nu voor mijn ogen zie.’
Ik kijk hem onbegrijpend aan en pas dan valt het me op dat de nekker een merkwaardige bril draagt. ‘Ken je dit niet?’ vraagt hij, ‘Er is nochtans al veel om te doen geweest. Dit is Google Glass, een draagbare computer in de vorm van een bril.’
Ik ben een beetje van mijn melk, want zo’n hoogtechnologisch snufje is wel het laatste wat je bij een folklorefiguur verwacht. ‘’t Is een prototype,’ zegt hij, ‘En ik moet zeggen dat het wonderbaarlijk is.’
‘Wat zie je dan wel?’ vraag ik.
‘Ik zie stomende seks,’ antwoordt hij, ‘de app stelt je in staat om een vrijpartij te herbeleven. Straf hoor. Levensecht.’ 
Omdat ik sprakeloos naar hem blijf kijken, legt hij het me uit. ‘Het idee is simpel. Deze morgen had ik seks met de nekkerin en nu kan ik daarvan via Google Glass nog vijf uur nagenieten.’
We komen aan de Nukkerbrug en hij biedt me zijn bril aan: ‘Wil je eens kijken? Echt heel goed hoor.’
Ik weet niet zeker of ik dat wel wil zien, seks tussen nekkers, maar ik durf zijn aanbod niet te weigeren. Ik zet de bril op en word deelgenoot aan het liefdesspel van die twee.
Hoe ik vervolgens in het water van de Noord-ede gesukkeld ben, weet ik niet, maar ik mag van geluk spreken dat daar toevallig een wijkbewoner passeerde die mijn hulpgeroep aanhoort heeft.

Flor Vandekerckhove

— Op Google Street View kon ik enige weken geleden deze foto van de Nukkerstraat maken. Meer daarover vind je hier. —

woensdag 4 oktober 2017

Mandelstam: vermoord omwille van een gedicht

— Politieportret van Osip Mandelstam (1891-1938). —
Op een koude novembernacht, in 1933, leest Osip Mandelstam zijn jongste gedicht voor. Hij doet dat in besloten kring, want zegt hij: ‘In Rusland wordt poëzie ernstig genomen, je kunt ervoor gedood worden.’ Het betreffende gedicht wordt later bekend als het Stalin Epigram. Die bekendheid is relatief, want nergens vind ik een Nederlandse vertaling. Op het internet zoek ik drie Engelse en twee Franse versies en maak er een eigen vertaling van, waarop ik nu een tevreden blik mag werpen.

We leven zonder vaste grond onder de voet
Onze woorden dragen geen tien passen ver.
Maar als we dan toch iets willen zeggen
laat het dan over de bergbeklimmer van het Kremlin gaan.

Zijn vette vingers wemelen als levend aas,
zijn woorden hebben het gewicht van een kwintaal.
De man met de kakkerlakken snor die spot
draagt laarzen waarvan de toppen glanzen.

Hij troont te midden van zijn kippen zonder kop,
toegewijde halfmensen wiens ijver hij bespeelt.
De ene fluit, aan ander blaat, een derde knort
terwijl hij buldert en met zijn vinger wijst.

Hij smeedt decreten als waren ‘t hoefijzers
Een voor ‘t hoofd, het oog, de slaap, de lies.
Elke executie is een feest
en groot is de appetijt van de Osseet.

De consternatie in de kamer is groot. Onmiddellijk vernietigen!, zegt de ene. Deze avond heeft nooit plaatsgehad, zegt iemand anders. Maar gezegd is gezegd. En zoals je weet: er is altijd wel iemand die het gaat voortvertellen. Wat betekent dat de kippen zonder kop het te horen krijgen en uiteindelijk ook hij die buldert en met zijn vinger wijst.
Mandelstam kan nu alleen nog wachten op de klop op de deur. Die komt er in 1934. Hij wordt opgepakt en in de Loebjanka ondervraagd.
Daar ‘bekent’ de dichter dat hij nooit zo’n voorstander van de bolsjewieken geweest is, maar toch. Na 1920, zegt hij, ‘karakteriseerde mijn politiek en sociaal bewustzijn zich door een groeiend vertrouwen ten aanzien van de politiek van de communistische partij en van de Sovjetautoriteiten. In 1927 werd dat vertrouwen aan het wankelen gebracht door mijn oppervlakkige maar warme sympathie voor het trotskisme…’
En het vertrouwen komt niet meer weer, integendeel.
In de Loebianka wordt dat alles genoteerd onder de titel: Contrarevolutie van de schrijvers. De ondervrager maakt Mandelstam duidelijk dat het hem vooral om diens Stalin Epigram te doen is. En of hij het even wil opschrijven. Mandelstam doet het, zonder verpinken.
Er zijn er daar al voor minder vermoord, maar Mandelstam ontsnapt wel aan het ergste, althans voorlopig, want de Russische literatuur beleeft in 1934 een hoogmis met het ‘Eerste Congres van de Sovjetschrijvers’. En dan is het toch beter dat er in de voorafgaande weken niemand vermoord wordt omdat hij een gedicht geschreven heeft. Mandelstam wordt verbannen en zijn vrouw mag mee.
Het sleutelwoord in bovenstaande paragraaf is ‘voorlopig’. Wanneer Mandelstam uit ballingschap terugkeert probeert hij weer als schrijver aan de bak te geraken. Hij contacteert de Unie van de Sovjetschrijvers die daar zijn fiat voor moet geven.
De secretaris-generaal van die schrijversbond, Vladimir Stavski, brengt de gevreesde Nikolaj Jezjov schriftelijk op de hoogte. In die brief praat hij Mandelstam aan de galg. De slotzin luidt: ‘Eens te meer vraag ik u om een bijdrage te leveren om het probleem Ossip Mandelstam te regelen.’ De brief leert ons wat de Unie van Sovjetschrijvers feitelijk is. Niet alleen is het een club die, in naam van het socialistisch realisme, alle creativiteit onderdrukt, het is ook een filiaal van de geheime politie.
Op 17 mei 1938 mag Mandelstam het nog eens gaan uitleggen. Er zijn nieuwe bezwarende feiten: ‘Mandelstam onderhield nauwe contacten met de vijanden van het volk Stenitch en Kibaltchitch, tot op het ogenblik dat die laatste uitgewezen wordt.’ Met de eerste wordt wellicht Valentin Stenitch bedoeld, die James Joyce in ’t Russisch vertaald heeft (misdaad!); het pseudoniem van de tweede is Victor Serge, die in Rusland openlijk de kant van Trotski kiest. Vijf jaar werkkamp wordt Mandelstams deel, wat voor iemand met zijn gezondheid een doodvonnis is. Ossip Mandelstam sterft op 27 december 1938. Een getuige verklaart: ‘Men maakte een plaatje aan zijn been vast, smeet hem met nog andere lijken op de wagen en dumpte hem in een gemeenschappelijke graf.’
Flor Vandekerckhove

Vitali Chentalinski. La Parole Ressuscitée. Dans les archives littéraires du K.G.B.  Uit het Russisch in het Frans vertaald door Galia Ackerman en Pierre Lorrain. Editions Robert Laffont, Paris 1993. 462 pp.

maandag 2 oktober 2017

De ontmoeting met Rolf

De tafel is groot en ik ben klein. Het is warm, het is zomer. Er is massaal veel volk naar de kust afgezakt, dit is het seizoen waarin het geld verdiend wordt. Ik voel de stress. Ik ben vijf.
Ik heb geen honger. De boterham blijft onaangetast liggen. Hij ligt daar al van in de vroege ochtend en hij ligt daar nog.
Vervolgens schrik ik van de stem van mijn moeder die me als straf naar de kelder stuurt. Ik vind dat onrechtvaardig, maar ze duldt geen tegenspraak. Ze duwt de boterham ruw in mijn hand en trekt de kelderdeur achter mij dicht. Ik ga op de bovenste trede van de houten trap zitten en gooi de boterham naar beneden. Daar, in het halfduister, wordt hij een witte vlek op de grauwe keldervloer. Ik ben moe.
Wakker word ik doordat mijn neus jeukt. Ik kijk naar een jongen die me met een pluimpje aan ‘t kietelen is. ‘Dag slaapkopje,’ zegt hij, ‘wat doe jij hier?’
‘Ik woon hier’, antwoord ik.
‘In een kelder?’ De jongen kijkt om zich heen. Het lijkt hem geen woonplaats te zijn. 'Hier is niet eens een WC', zegt hij.
Daarom zeg ik: ‘Ik woon ook in het huis dat erboven staat.’
De aanwezigheid van de jongen beangstigt me geenszins. ‘Hoe heet jij’, vraag ik,‘ waar woon jij, wat doe je hier?’
Ik heet Rolf’, zegt de jongen, ‘Rolf is het omgekeerde van Flor, en Ik kom je boterham opeten.’
Dat vind ik wel goed.
‘Ik woon in Eneder B, zegt Rolf nu,da’s het omgekeerde van Bredene en ik kom hier om samen met jou op avontuur te gaan.’ Hij lacht vrolijk en zegt: Kom, hop met de beentjes.’
Rolf en ik trekken de kelder in. Intussen leert hij me een lied waarvan hij zegt dat het onze hymne is: En we gon no ’t froent / achter perdestroent / En we gon der vele rapen.
Als we bij het keldergat aankomen, steekt Rolf zijn hoofd erdoor zodat hij de straat kan zien. ‘Voor mijn ogen’, zegt hij plechtig, ‘ontplooit zich de bovenwereld. No pasarán!’ Hij keert zich om, kijkt me aan en zegt bezwerend: ‘Dit is een toverspreuk: no pasarán!
Nu wordt het tijd om naar mijn uitgangspositie terug te keren. Rolf verdwijnt via ‘t keldergat en ik zit weer op de trap. Nog altijd zing ik luid van ‘t froent en perdestroent.
Met een ruk trekt moeder de kelderdeur open. Ze trilt. Met uitpuilende ogen kijkt ze naar het kind dat ze verwekt heeft. Ik staak mijn gezang, twijfel een ogenblik en zeg vol overtuiging: ‘No pasarán!

Flor Vandekerckhove

zaterdag 30 september 2017

Cargo


Dit wordt een moeilijke. En ’t gaat nochtans maar over een film, een brokje fictie, een verhaal. Naar die film ben ik, net zoals duizenden (!) Oostendenaars, gaan kijken. Ik dacht: ik ga daar niet meteen iets over schrijven, ik laat het eerst een beetje bezinken. Maar… Dat bezinken duurt inmiddels al vele dagen en het blijft moeilijk.
Cargo is een film van Gilles Coulier over een Oostendse vissersfamilie. De film beschrijft een wereld die ik erg goed ken. Een kwarteeuw lang heb ik daar een tijdschrift uitgegeven. Vijfentwintig jaar lang heb ik er de neergang van aanschouwd — zowel van de vissersgemeenschap als van dat tijdschrift. Da’s lang. Het is… té lang.
Kommer & kwel, ijzer dat dag en nacht tegen een kaaimuur schraapt, grijze kaaien in grijs weer, abonnees die afhaken, de zee die klaagt & reders die zagen, de kwalijke zijde van het kapitalisme, adverteerders die hun facturen niet langer betalen, doden die op zee achterblijven — en dat zijn er niet weinig —, nattigheid in alle betekenissen van het woord, wind die door de kieren van het redactielokaal waait, stemmen van mannen die het gewoon zijn om te schreeuwen, geruzie & leugens & zinnen van één woord… En vooral dat: de voordurende en hopeloze neergang van iets wat ten dode opgeschreven is. Vijfentwintig jaar lang. Dat gaat niet in je koude kleren zitten.
Mensen die met een romantische blik naar de visserij kijken zullen mijn weerzin niet goed begrijpen, maar wie de situatie een beetje kent begrijpt me al veel beter. In die weerzin sta ik trouwens verre van alleen, je moet dit eens lezen.
Ik was maar wat blij toen het uur van de pensionering sloeg. Boeken dicht, inpakken en wegwezen! Maar zo eenvoudig gaat dat niet, zo heb ik daarna moeten ondervinden. Daardoor valt het me nu zo moeilijk om een commentaar op Cargo te schrijven, een film die me terugduwt in iets waaraan ik al zo lang probeer te ontsnappen.
De regisseur maakt een meesterlijk portret van de visserij en de protagonisten eveneens. Ik herken het verhaal, de stemmen, beelden, kleuren, geluiden en geuren. Heel de prent baadt in de koude, grijze, uitzichtloze wereld die mij zo na geweest is en die ik nu zo grondig beu ben. Dat er figuranten uit de vissersgemeenschap aan de film participeren legt er nog een schep bovenop. En heb ik in die film de stem van de aalmoezenier niet gehoord? Aaaaaaah!
Nooit eerder heb ik tijdens het aanschouwen van een goeie film de zaaluitgang in ’t oog blijven houden, maar tijdens deze goeie film heb ik dat wel gedaan. Want ook dat heb ik in de visserij geleerd: je kunt maar beter op alles voorbereid zijn: mayday mayday! 
Flor Vandekerckhove

CARGO, 1,30 u. Regisseur: Gilles Coulier. Cast: Sam Louwyck (Jean Broucke) , Wim Willaert (Francis Broucke), Sebastien Dewaele (William Broucke) ,…. Productie: De Wereldvrede (Gilles Deschryver en Gilles Coulier) en Halal (NL). Distributie: Dutch Film Works (DFW).

donderdag 28 september 2017

Herinneringen aan ’t Stapelhuis (2)


De ondertitel van de blog liegt niet: dit is de plaats waar ik herinneringen ophaal. Daartoe behoren ook die aan ’t Stapelhuis, een lokaal in Gent, waarover ik hier eerder al een stukje gepost heb.
Daar is nogal wat reactie op gekomen. Daardoor weten we nu met zekerheid dat de verbouwingswerken in augustus ‘77 van start gaan en dat het ‘socio-kultureel centrum’ op 15 september '78 de deuren opent. De leukste reactie komt van Willie Panhuis die haar fotoalbum onder de arm neemt en ermee naar de kust spoort. Wat me toelaat een tweede stukje te publiceren — O lio lio la, onze herinneringen groeien aan!
— Vincent Pauwels (°1950 - †2000)
zonder wie 't Stapelhuis wellicht nooit
afgeraakt zou zijn. —
Dit tekstje zit geprangd tussen twee fotomontages. Deze bovenaan geeft een idee van het gebouw (1), de verbouwing (2&3) en het eindresultaat (4). 
Foto 1 toont de bouw zoals we die indertijd aantreffen. Rik De Coninck herinnert zich die periode: In 1977 kwam ik in Gent en toen was het lokaal van de RAL nog op de Sint-Kwintensberg. Ik weet dat jij in die periode opdracht kreeg om een ander lokaal te zoeken, dat je, volgens eigen zeggen, met verschillende voorstellen kwam, maar dat die geen genade vonden. In een ultieme poging heb je toen een laatste suggestie gedaan, namelijk een stapelhuis met drie verdiepingen en drie of vier grote rolluiken aan de straatkant in de Frans Ackermansstraat. Dat was toch niet erg praktisch… Tot je grote verbazing was het bingo! En het lokaal had meteen een naam: Stapelhuis.’ Ook Dirk Cosyns herinnert zich het prille begin: ‘Als architect werd ik verzocht om inderhaast te zorgen voor een bouwaanvraag, aangezien gebouw en werken verzegeld waren. Alles werd in orde gebracht en de betonnen trap naar de eerste verdieping werd goedgekeurd.’ Daar heeft, zo herinnert Eddy Labeau zich dan weer, toch enige tijd tussen gezeten [Foto 2]: De aannemer, die na lang talmen de monumentale betonnen trap goot die toegang verleende tot de eerste verdieping met de grote zaal en de bar, sprak Vincent Pauwels respectvol aan met "Mijnheer Vincent". Zonder Vincent zouden wij het daar ook erg koud hebben gehad. Niet alleen stond hij in voor het aanleggen van de centrale verwarming (Leen Mestdach heeft daar ook aan meegewerkt), daarna kwam hij ook telkens uit Evergem over om die op tijd aan te steken - zo'n gebouw is niet in een wip warm...’. Waarmee ook de naam valt van degene die daar veruit ’t meeste werk geleverd heeft: Vincent Pauwels.
Eddy Decreton herinnert zich het Stapelhuis aldus: ‘Ik heb er vele uren doorgebracht, vooral om de bar [foto 4] open te houden. Maar zonder Vincent Pauwels was er wellicht nooit een Stapelhuis geweest.’ Dat betekent dan weer niet dat anderen niet aan de verbouwing geparticipeerd hebben. Zegt Karin Criel: ‘Op de benedenverdieping waren de toiletten. Jean-Paul Van Bendeghem heeft nog geholpen om die te plaatsen, meen ik mij te herinneren. Voor mijn geestesoog zie ik hem nog lopen met een wc in zijn nek. Altijd als ik iets van hem zie of lees, moet ik daaraan denken.’ Ja, ik kan me wel voorstellen dat je zo'n beeld niet uit je geheugen krijgt.
Om een lang verhaal kort te maken: op 15 september 1978 is het gebouw gebruiksklaar. Uit de fotoverzameling van Willie Panhuis kies ik deze van een etentje, couscous!, dat daar op 21 oktober ’78 doorgaat. Op onderstaande foto’s herkennen we (1) Magda Devos; (2) Eddy Labeau; (3) Vera Meeus; (4) Vincent Pauwels (†); (5) Adriënne Depreester (†); (6) Marc Staelens; (7) Eddy Decreton; (8) Christine Bilaey; (9) Michel Colijn.

Flor Vandekerckhove
(Alle foto's komen uit het archief van Willie Panhuis.)

woensdag 27 september 2017

Merkwaardig restant van stalinistisch bedrog



— Alexander Voronski werd twee keer door de 
stalinistische politie opgepakt, een eerste 
keer in 1928 (de twee bovenste gevangenisportretten), 
de tweede keer was in 1937 (onderste politiefoto’s). 
Volgens de Wikipedia werd hij op 13 augustus 1937 
berecht, veroordeeld ‘en waarschijnlijk 
dezelfde dag nog geëxecuteerd.’ —
Ik open het postpakket en lees de lange titel ‘Alexandre Voronski 1884-1943 Un bolchevik fou de littérature’. (°) Heb ik een verkeerd boek besteld? Gaat dit over een andere Voronski? Is dat wel de man waarvan ik een biografie wil lezen?
Mijn twijfel betreft het in de titel vermelde jaar van overlijden, 1943. Omdat ik hier eerder al iets over Voronski geschreven heb verwondert dat jaar me. Is die mens niet in 1937 vermoord?
Ik raadpleeg het internet en alle bronnen bevestigen wat ik al weet: 1937 is het jaar waarin deze literatuurcriticus door Stalins beulen terechtgesteld wordt. Waarom schrijft zijn biograaf dan 1943?
Het antwoord vind ik in een ander boek. (°°) Daarin gaat de auteur in Rusland op zoek naar documenten betreffende veroordeelde schrijvers. Zelf interesseert me daarin vooral wat hij over Isaak Babel weet te vinden, mijn lievelingsauteur. Dat blijkt niet weinig te zijn. Ik heb er, daar, al een eerste stukje over gepubliceerd, er volgen er nog.
Dit is wat Vitali Chentalinski leest in Babels dossier: ‘Het vonnis werd uitgevoerd in Moskou op 27 januari 1940’. Dat is een openbaring, want elders lees ik: ‘Antonina Nikolaïevna, die nog niet wist dat ze weduwe was, wachtte, hoopte en ging door met het versturen van verzoeken. Men antwoordde haar: “Hij leeft, in goede gezondheid, in de kampen…” 1944, 1945, 1946 gingen voorbij met dezelfde bevestigingen. In 1947 kwam er goed nieuws: Babel zou het daaropvolgende jaar vrijkomen (…)’
‘Hij kwam niet weer in 1948, maar de hoop bleef. (…) Geruchten deden de ronde: iemand had Babel in Kolyma gezien… Of in de streek van Krasnoïarsk… Ze wachtte.’
Veertien jaren gaan voorbij. Stalin sterft. Families beginnen na te gaan wat er gebeurd is: ‘In 1954 vraagt de vrouw van Babel: “(…) ik vraag u zijn dossier te onderzoeken en om zijn lot in de mate van het mogelijke te verzachten”.’ Ten gevolge van deze brief wordt duidelijk dat Babel al lang vermoord is. Hij wordt gerehabiliteerd, maar de datum van zijn dood blijft ook dan nog onduidelijk.
— De biografie van Voronski vermeldt 1943
als jaar van overlijden (zie pijl). Is de vergissing
een restant van stalinistische vervalsing?
 — 
 
 
Wat ze met Babel doen hebben ze daar met vele anderen gedaan. Zegt Chentalinski: ‘(…) van de lijst van gefusilleerden die ik had leren kennen, had ik de data vergeleken met de officiële data van overlijden van auteurs tijdens de terreur, zoals die in de Literaire Encyclopedie vermeld werden. De vervalsing was overduidelijk. Om de waarheid te verbergen noteerden de mannen van de Organen willekeurige data (…) Van wie neergeschoten was zei men dat ze veroordeeld waren tot “tien jaar kamp, zonder recht op correspondentie”, en hun families zochten hen, hoopten en wachtten. En tijdens de eerste rehabilitaties, in ’t midden van de jaren vijftig, behielden de meesters van de wet de schijnheilige en leugenachtige traditie: ze lieten in de certificaten valse data zien en valse oorzaken van overlijden (…). En deze bedenksels worden vandaag geloofd in de encyclopedieën en referentiewerken (…).’ Voor de data van overlijden werden veelal oorlogsjaren gekozen, waarmee men de indruk wekte dat die mensen in de oorlog omgekomen waren.
Ik keer terug naar de biografie van Voronski. De indrukwekkende bibliografie waarmee Kastler afsluit leert me dat hij zich omzeggens volledig op Russische bronnen baseert. Komt het daardoor dat hij het overlijden van Voronski verkeerdelijk in 1943 situeert? Zeker weten doe ik dat niet, maar het lijkt er wel op. Ook zie ik dat Claude Kastler professor is aan de Stendhal Universiteit van Grenoble. Er zijn er daar wellicht al voor minder gebuisd.
Flor Vandekerckhove

(°) Claude Kastler. Alexandre Voronski 1884-1943 Un bolchevik fou de littérature. Grenoble. © ELLUG 2000. 184 pp.
(°°) Vitali Chentalinski. La Parole Ressuscitée. Dans les archives littéraires du K.G.B. Uit het Russisch in het Frans vertaald door Galia Ackerman en Pierre Lorrain. Editions Robert Laffont, Paris 1993. 462 pp.

zondag 24 september 2017

Betsy van ‘t Sas

— Foto uit het politiedossier. —
Op 1 juli 1952 verdween Betsy uit haar woning, gelegen in de Buurtspoorwegstraat te Bredene. Niemand wist waarom, niemand wist waarheen. Na enige tijd werd haar woning aan een jong koppel verhuurd, Betsy werd door de Bredenaars vergeten. 
Twee jaar later reed verzekeringsagent Deschaede in ‘t donker naar huis. Onderweg ramde hij een paaltje. Hij vervolgde zijn weg, ging naar bed en sliep tot hij door de politie wakker gebeld werd. 
Dit is wat Deschaede toen verklaarde: ‘Toen ik op 1 juli 1954 om 23 uur, via de Prinses Elisabethlaan, huiswaarts keerde, zag ik plots een obstakel opdoemen. Bleek dat een naakte vrouw in ’t midden van de weg stond. Ik kon haar net ontwijken, maar raakte wel een paaltje.’
Van de vrouw was nadien geen spoor meer te bekennen. Hij kon wel een persoonsbeschrijving geven: ‘Ze had lang blond tot bruin haar en soortgelijk schaamhaar. Wat me opviel was dat ze ook over borsthaar beschikte, eveneens bruinachtig blond.’
De wijkagent herinnerde zich een foto van de twee jaar eerder verdwenen Betsy. De commissaris heropende het dossier.
Sindsdien blijven er meldingen komen. In 1958 spot een Bredenaar Betsy op de Wereldtentoonstelling. In 1960 neemt ze met ontblote borst deel aan een betoging tegen de Eenheidswet. In mei '68 zou ze het Bredense politiebureau met stenen bekogeld hebben. Iemand die onbekend wenst te blijven zegt dat hij Betsy verleden jaar op het naaktstrand gespot heeft, maar nu met grijs borsthaar. 
Normaliter hecht ik weinig geloof aan zo’n getuigenissen, maar onlangs zag ik een vrouw die me erg aan haar liet denken. Waarom dacht ik in die vrouw Betsy te herkennen? Had zij haar boezem ontbloot? Neen! Had ik een pluk borsthaar uit haar blouse zien priemen? Neen! Had ik enig borsthaar horen knapperen? Neen! Ik kon er geen zinnige verklaring voor geven en dat kan ik vandaag nog altijd niet.

Flor Vandekerckhove

zaterdag 23 september 2017

Herinneringen aan ’t Stapelhuis




Toen de RAL in 1977 voor het eerst aan de parlementsverkiezingen deelnam kun je dat geenszins een electoraal succes noemen. Toch had de campagne dat partijtje versterkt. Ik herinner me een bijeenkomst van mensen die in Gent actief aan de campagne meegewerkt hadden. Overdrijf ik als ik zeg dat daar toen honderd mensen aanwezig waren?
Ook omdat we niet wilden beseffen dat dit maar een tijdelijk succesje was, beslisten we dat de RAL een groter Gents lokaal behoefde.
Dat vonden we in een leegstaand pakhuis in de Frans Ackermansstraat. We verbouwden het tot een heus centrum dat we toepasselijk ’t Stapelhuis noemden (andere voorstellen varieerden van Germinal tot Hotsi Trotski.) Op de hoogste verdieping maakten we vier (vijf?) vergaderlokalen en een secretariaat met bibliotheek; op de tussenverdieping kwam een boekwinkeltje en een zaal met bar, goed voor toch wel honderd mensen. Waren de toiletten op de benedenverdieping? Stond daar de verwarmingsketel? Die verdieping bleef hoe dan ook onafgewerkt. Ik vermoed dat de RAL, later SAP, daar tot het einde van het huurcontract gebleven is, tot 1987.
Dit stukje wil het geheugen openwrikken, zowel ’t mijne als dat van anderen, want ik ga proberen herinneringen te sprokkelen die met dat centrum te maken hebben.
De RAL organiseerde in dat gebouw wekelijks de Vrijdagen van ’t Stapelhuis. Dat ‘Socio-Kultureel Centrum’ was ook een open huis. Naast de RAL en de jongerenbeweging ervan, SJW, had ook de Turkse DHKD daar een basis. De grote zaal werd ruim gebruikt, ook door buurtbewoners. Ik herinner me pingpongtafels, een cursus elektronische muziekcreatie, repetities van een toneelgroep rond Arne Sierens en van een punkgroepje rond Erik Goeman, een Turks trouwfeest, een druk bijgewoond feest van anarchisten… Vooral op vrijdagen was het druk in de bar. Een getrouwe klant was Eric Temmerman die de zieltogende feestzaal Vooruit zou omvormen tot wat het nu is, en ook daar heette het voortaan ‘Socio-Kultureel Centrum’.

— Op de voorgrond: veterane Adriënne Depreester.
De mens met al dat haar, — ook mijn haar was toen 
anders — aan de toog, ben ik, inmiddels zelf veteraan. —
Nu volgt een oproep! Heeft iemand foto’s liggen van de gevel van ’t Stapelhuis, van de indrukwekkende traphal, van de zaal, van activiteiten die aldaar doorgingen, van de verbouwingswerken, van… Want voor onze wankele geheugens is enig beeldmateriaal van groot belang.
Dat laatste ondervond ik toen ik bovenstaande foto’s probeerde te duiden. Omdat de rugzijde het vermeldt wist ik meteen dat het een ‘Veteranenfeest’ betrof dat op 12 december 1981 doorging. Gevierd werden Adriënne Depreester, een overbuurvrouw die zich al gauw in de werking ingeschakeld had, Richard Fordeyn, een oudere sympathisant en Oscar Vereecken, een historisch lid van de Gentse trotskistische beweging; over hem heb ik hier een in memoriam gepubliceerd.
Van dat feest heb ik drie foto’s. Ik heb ze een beetje rondgestuurd en we hebben op één na (nummer 10) alle namen kunnen weervinden. Da’s niet zonder slag of stoot gegaan, want ja, het nummer 5, waarin we eerst Rik De Coninck meenden te herkennen, blijkt uiteindelijk dr. Jan Van Bouchaute te zijn. En het nummer 9 was voor de enen Karin Criel en voor de anderen Robbie Ghekiere (Gelukkig weet Karin nog welke haarsnit ze in 1981 had. Lang haar is Robbie. Of Rudy Velghe, dat kan ook.) Merkwaardig is ook dat Willie Panhuis even dacht dat zij de vrouw achter het nummer 10 was, maar inmiddels is ze daar van afgestapt en ook hier heeft de haartooi naar zekerheid geleid: ‘Mijn haar was toen langer’.
En dit zijn de namen: 1. Wim Sebrechts; 2. Richard Fordeyn; 3. Raf Verbeke; 4. Chantal Desmet; 5. Jan Van Bouchaute; 6. Frank Van Maroey; 7. Eddy Decreton; 8. Marijke Colle; 9. Robbie Ghekiere [hier past enig voorbehoud. Volgens Eddy Decreton is dat zeker Robbie niet; Sabine Dick denkt hier Rudy Velghe in te herkennen en Dirk Cosyns vraagt zich af of het niet Cathy Cornelissen kan zijn]; 10Grote onzekerheid: Marijke Colle zegt dat de vrouw waarmee ze aan het babbelen is uit Aalst afkomstig was, een activiste van de BBTK in Brussel. Dirk Cosyns vermoedt vreemd genoeg dat hij zich achter dat nummer ophoudt; 11. Luc Van Buynder; 12. Maria Buysse.
Ik zei het al: zo’n foto’s openen het geheugen. Nog voor we ons de naam van de vrouw achter het nummer 12 herinnerden — Maria Buysse — wist Marijke Colle al dat de echtgenoot ervan over een stencilmachine beschikte nog voor de RAL zich zo’n gesofistikeerd productiemiddel kon veroorloven. Dát waren tijden!
Flor Vandekerckhove


— Dit is niet ’t Stapelhuis, maar het gebouw dat er gekomen is nadat het huis afgebroken werd. Het geeft een idee van de grootte van het centrum. —