maandag 16 januari 2017

Bio, nu ook voor kogels

Donald Trump, president van de Verenigde Staten: waar of niet waar? 
In deze tijden, waarin we overspoeld worden door vals nieuws, moet je goed oppassen als je de krant leest. Daar tegenover staat dat er nauwelijks vals nieuws bedacht kan worden dat de werkelijkheid in gekte overtreft. Is den Donald nu al dan niet de politieke opperbaas geworden van ’s werelds leidinggevende natie? De media blijven beweren van wel, maar wie 's mans getwitter volgt kan het nog altijd moeilijk geloven.
En wat denk je van deze?
In Amerika is het leger van plan om kogels te ontwikkelen die biologisch afbreekbaar zijn. Bovendien moeten die kogels zaden bevatten die de lokale vegetatie een duwtje in de rug geven. Het zou gaan om mitrailleurkogels, granaten en tankartillerie. Ik lees het vandaag in de krant. Als het waar is dan is dat voorwaar een indrukwekkende overwinning van het groene gedachtegoed.
Wanneer je door zo’n kogel te gronde gaat, geschiedt dat in de geruststellende gedachte dat je doorzeefde lijf de bodem niet onnodig bezoedelt. De kans is zelfs groot dat in je zieltogende lichaam kogelzaad® ontkiemt. Als je het geluk hebt dat men je enige tijd laat doodbloeden, dan wordt je lijk een bron van meststof waaraan de nieuwe plant zich voedt. Niets dan voordelen.
Niet alleen voor de groene beweging is deze ontwikkeling een doorbraak. Ook het christendom zal er een boost door kennen, want eindelijk is de prangende kwestie van het hiernamaals beslecht. Is er leven na de dood? De zaden in de biokogels® maken het onmogelijke waar: dood is leven!
De uitvinding maakt ook dat de vredesmissie van het Amerikaanse leger beter uit de verf zal komen. Terwijl ze daar de democratie installeren zullen de Amerikanen al schietend hele woestijngebieden herbebossen. Het verschil met de bende van Poetin is duidelijk. De Russen schieten in Aleppo gewoon alles kapot; als de Amerikanen het hadden mogen doen dan groeiden daar nu massa’s bloemen op het puin; Aleppo wordt dan veroverd als een groene oase à l'Américaine! Flower Power in de overtreffende trap. Als dat niet duurzaam is weet ik het ook niet meer.
Ver van je bed? Dat denk je alleen maar. Deze productontwikkeling is ook voor de Vlaamse beweging niet zonder betekenis. Lezen we onder het wit kruis van de eerste IJzertoren niet de woorden: ‘Hier liggen hun lijken / Als zaden in ’t zand / Hoop op de Oogst / O Vlaanderland.’ Met zo'n biokogels® had de eerwaardige heer Cyriel Verschaeve meteen de oogst kunnen aanvatten. Houzee!
Flor vandekerckhove

zondag 15 januari 2017

De dieselblues

— Bottleneck John speelt op een National Duolian van 1933. Victor the Tractor begeleidt hem. De tractor is een Zweedse Bolinder-Munktell en ook Bottleneck John is Zweeds. —

Je hoeft niet per se naar de Gentse opera te sporen om je door muziek te laten ontroeren en evenmin naar de AB in Brussel, soms volstaat het om je in het schuurtje achter je huis terug te trekken. Misschien is Victor the Tractor daar wel aan het werk, de perfecte drummer voor wie een potje wil jammen, bijvoorbeeld rond Sweet Georgia Brown. Wie thuis geen schuurtje heeft moet er hier maar eens naar kijken.
Dit filmpje is me al sinds 2013 bekend, maar gaandeweg heb ik het uit het oog verloren. Gisteren heb ik het weer opgezocht en daardoor weet ik nu dat diesels wel meer als drummer ingezet worden. Ook de gloeikopmotor, een soort voorloper, is daar uitermate geschikt voor, want hetzelfde groepje, met als centrale figuur de gitaarspelende Olle Hemmingson, kun je ook een beetje verder in goede doen zien, maar dan met een semidiesel aangedreven machine.
Haast automatisch ga je denken dat het Amerikanen betreft, een vooringenomenheid die het internet genadeloos te kakken zet, want wanneer ik Olle Hemmingssons trio google kom ik in Scandinavië terecht.
't Is overigens ook daar dat Bottleneck John woont, een muzikant die eigenlijk Johan Eliasson heet. Hij heeft op youtube verschillende filmpjes staan. Soms met andere muzikanten, soms alleen, maar altijd in ’t gezelschap van een diesel, zoals in de Delta Tractor Blues Jam. Of in deze vertolking van de Huge Hot Bulb Engine Blues waarop we een Dobro uit 1930 horen, een mandoline en een… gloeikopmotor.
Wie eraan denkt om het zelf eens te proberen, maar financieel niet bij machte is om zich zo’n grote tractor aan te schaffen, hoeft niet te wanhopen, want met een kleintje gaat het evengoed, dat zie je hier. Of je zoekt een sluis op en je gaat daar vlak naast de waterpomp zitten, dat kost je dan zelfs helemaal niks, kijk daar.

Flor Vandekerckhove

zaterdag 14 januari 2017

Nog steeds op zoek naar Patrick Van Molle

— Patrick Van Molle in 1959-60. —
Op 15 juni 2012 plaats ik hier een post waarin ik mijn zoektocht naar Patrick Van Molle (°1949) aankondig, een jongen waarmee ik in Bredene school gelopen heb. Boven dat stuk staat een klassenfoto uit die tijd. Met vereende krachten hebben we intussen haast alle namen getraceerd.
De hoogbegaafde Patrick is in zijn jeugd uit ons zicht verdwenen en hij is er nooit meer in teruggekeerd. Zo zijn er wel meer, zult u zeggen, en dat is waar, maar voor wat Van Molle betreft hangt daar toch een sluier rond, een waas van — wel ja — geheimzinnigheid.
Bijna vijf jaar nadat we beginnen zoeken zijn dringt de vraag zich op: hebben we Patrick kunnen vinden?
De eerste die me op weg helpt is Bredenaar Daniël Eyland. Neen, hij kent Van Molle niet, maar hij heeft oude kiezerslijsten waaruit blijkt dat Patrick in 1976-78 in Loppem woont. Hij is dan gehuwd, zo leert ons ook die kiezerslijst.
In Loppem woont ook, zo weet ik vaag, Johan — Johny — Brouwers, eveneens een klasgenoot. Op het internet vind ik diens telefoonnummer. Veel enthousiasme wekt mijn queeste niet op bij hem. Neen, zegt hij, het loont de moeite niet om naar Loppem af te zakken. Daar is niets te zien wat aan Patrick herinnert. Hij voegt er nog rap aan toe dat hij zelf zelden thuis is. Ik versta de boodschap.
Op 21 augustus 2012 krijg ik een bericht van iemand die uitdrukkelijk vraagt haar naam niet bekend te maken. Een oude vlam? ‘Ook ik heb mij af en toe afgevraagd wat er van Patrick Van Molle is geworden. Ik heb hem in 1968 gekend als medestudent 1° kandidatuur romaanse filologie aan de Katholieke Universiteit Leuven. 1968 was ook het laatste jaar waarin zowel de Nederlandstalige als de Franstalige studenten romaanse filologie samen les kregen. Met de splitsing van de universiteit in KUL en UCL (Louvain-la-Neuve) heeft Patrick het zekere voor het onzekere gekozen en zijn studies verder gezet in Louvain-la-Neuve. Van dan af heb ik alle contact met hem verloren. Mijn verhaal helpt je wel niet verder in de zoektocht, maar het geeft aan dat er nog steeds mensen zijn die om hem geven. Hopelijk komt er toch nog iets positiefs uit de bus.... wie weet.'
Enkele dagen later krijg ik weer een bericht van iemand die onbekend wenst te blijven. Deze persoon beschikt over informatie uit het departement romaanse filologie van de universiteit Louvain-la-Neuve. Blijkt dat het aldaar laatst bekende postadres van Patrick Van Molle de Rue de Merode 397 te 1060 Brussel is. 1979 is het jaar waarin Patrick aan die universiteit zijn laatste diploma romaanse filologie behaalt. Dat diploma wordt niet gepreciseerd. Kan het zijn doctoraat zijn? 
Intussen is ook Ivan Schamp op zoek gegaan. Hij traceert een Patrick Vanmolle in Woluwe-Saint-Lambert. Die Vanmolle wordt echter aan elkaar geschreven, terwijl onze Patrick, zo meen ik te mogen stellen, een naam heeft die in twee delen geschreven wordt: Van Molle. Voor de zekerheid stuur ik toch een bericht naar de Vanmolle uit St.-Lambrechts-Woluwe. Geen antwoord.
Daarna blijft het lange tijd stil. Maar op 3 mei 2015 stuurt ene Lionel Thelen me de tekst van een koninklijk besluit (http://www.etaamb.be/fr/arrete-royal_n2014009486.html) waaruit blijkt dat er in 2014 bij de federale overheidsdienst Justitie een Patrick Van Molle met pensioen gegaan is, een raadgever. Is dat de man die we zoeken? Onze Patrick is in 1949 geboren, in 2014 is hij bijgevolg 65 geworden. De Van Molle van Justitie kan onze Patrick zijn. Of niet, dat kan ook.
— Het filiaal van Delhaize Fres. & Cie. - Le Lion in de Kapelstraat
te Bredene. De winkel werd tot 1976 uitgebaat door het echtpaar
Denolf-Dewitte. Patrick Van Molle was een neef en woonde met zijn
ouders op een verdieping boven de winkel. Het gebouw bestaat niet meer.—
Maar wie is die Lionel Thelen eigenlijk? Ik speur het internet af en zie dat Thelen bij de gemeenteraadsverkiezingen de lijst van Ecolo in Chaudfontaine trekt. Ik stuur de groenen van die stad een mail, met de vraag of hun Lionel me iets meer kan zeggen over onze Patrick, maar ik krijg geen antwoord. Via volksvertegenwoordiger Wouter De Vriendt geraak ik aan ‘s mans persoonlijke e-mailadres. Op 13 mei 2015 stuur ik Thelen de bede om me iets meer over zijn Van Molle te vertellen. ’s Anderendaags krijg ik antwoord: ‘Je ne saurai guère vous en dire plus : Monsieur Van Molle dirigeait un service au sein du Ministère (SPF) de la Justice et a pris sa pension en août dernier. Je ne sais rien de plus sur lui malheureusement : j'ai brièvement travaillé en sa compagnie de 2002 à 2003 et cela fait donc un sacré bout de temps que je n'ai plus eu de nouvelles de lui... J'en suis désolé.’ Weer loopt een spoor dood.
Het is voor het eerst dat mijn blog de aandacht van een Waal trekt. Maar het kan nog heftiger. Op 10 juni 2015 ontvang ik een reactie uit Italië: We met in 1974 attending a congress in Italy. I was in Leuven and Oostende at his home. He was in Italy (I lived in Milan at the time). He was no longer married. Lost any track in a couple of years. (Sorry I can only read Nederlands).’ De mens die me dit schrijft heet Giulio Soravia. Ik google zijn naam en kom op de site van de universiteit van Bologna terecht. Soravia is daar 'Professore a contratto a titolo gratuito Vicepresidenza della Scuola di Lettere e Beni culturali.'
Of professor Soravia nog altijd op zoek is naar Patrick weet ik niet, maar wij wel. Misschien brengt dit nieuwe stukje ons weer op weg. Misschien, misschien.
Flor Vandekerckhove

vrijdag 13 januari 2017

André Gide kijkt in het hart van het stalinisme

— André Gide in de USSR. —
Enige tijd geleden stoot ik in een Trotskibiografie op een passage die meldt hoe de Franse schrijver André Gide de uitgerangeerde revolutionair danig aan ‘t lachen weet te brengen. Ik schrijf er een stukje over: Trotski lacht zich een bult.
Waarna mijn aandacht weer naar andere zaken uitgaat, zoals naar het Amerikaanse Partisan Review waarin ik verleden jaar beginnen bladeren ben. 
Zo nu en dan neem ik weer een nummer van dat tijdschrift ter digitale hand. Zodoende ontmoet ik schrijvers waarvan ik nooit eerder iets gelezen heb en die me nu tot nieuwe stukjes inspireren: Mary McCarthy en John Dos Passos.
Inmiddels ben ik aan de jaargang 1938 toegekomen en in het tweede nummer van dat jaar kom ik onverwachts weer André Gide tegen. In een artikel komt hij terug op het boek dat Trotski zo aan ’t lachen heeft gebracht. Dat artikel heet Second Thoughts on the Soviet Union en als je op die in ’t rood gezette titel drukt dan leidt het wereldwijde web je in enkele seconden — O wonder! — rechtstreeks naar de betreffende bladzijden die zich voor je verwonderde blik ontvouwen.
Gide meldt erin dat zijn Retour de l’U.R.S.S. door andere meereizende schrijvers negatief beoordeeld wordt. Hij weet waarom. Hij heeft immers goed gezien welke inspanningen de Russische regering zich getroost om de buitenlandse bezoekers ter wille te zijn. ‘Wat maakt dat ik meteen op mijn hoede ben. Ik ben bang dat ik me zal laten omkopen. De ongehoorde winsten die ze me in Rusland voorschotelen boezemen me angst in. Ik ga niet naar de Sovjet-Unie om privileges te herontdekken.’ En dan zegt hij: ‘Deze die me daar opwachtten waren schandalig.’
‘En waarom zou ik dat niet zeggen?’ vraagt hij zich retorisch af.
‘De dagbladen in Moskou hadden me geleerd dat daar in enkele maanden tijd 400.000 exemplaren van mijn boeken verkocht waren. Ik laat het aan de lezer over om de auteursrechten te berekenen. Had ik achteraf een lofzang op de USSR en op Stalin geschreven dan had ik een fortuin vergaard!’
Hij vertelt over collega’s, die in de USSR vertalingen op stapel hadden staan. De voorschotten die ze daarvoor kregen konden ze niet mee naar huis nemen. Ze liepen antiekzaken en tweedehandswinkels af, niet wetend hoe ze al die miljoenen roebels kwijt konden raken.
Neen, zegt Gide, als ik me negatief over de USSR uitlaat dan komt dat zeker niet doordat ze me daar slecht behandeld hebben. ‘Maar, nadat ik me met veel moeite had kunnen ontdoen van de gecontroleerde officiële wereld, had ik kennis gemaakt met een aantal stukwerkers wier inkomsten niet meer dan vier, vijf roebels per dag bedroegen. Hoe verwachtte men dan dat ik me zou voelen wanneer ik naar een banket ter mijner ere moest gaan?’  En hij beschrijft het banket dat schandalig overdadig is.
Gide heeft de ballon van de stalinistische bureaucratie doorprikt: ‘Ze mogen dan partijleden zijn, in hun hart is er niets van communisme te vinden.’ En hij besluit met een paragraafje dat te mooi is om door mij vertaald te worden: ‘But we shall not turn our face to you, O glorious and grieving Russia. If first you were an example to us, now, alas! you show in what engulfing sands a revolution can sink.’

Flor Vandekerckhove

woensdag 11 januari 2017

De kindercommunes van Pannekoek

— Anton Pannekoek (1873-1960) —
Regelmatig heb ik het in deze blog over mijn militante verleden in een kleine trotskistische organisatie. Ooit ga ik vertellen hoe ik daartoe gekomen ben, maar weet nu al dat het niet mijn eerste keuze was.
Politiek dakloos als ik toentertijd was, had ik me op menig lichtend pad begeven. Soms bleek het een doodlopend straatje te zijn, soms een straat zonder einde — wat uiteraard twee keer hetzelfde is — maar onderweg had ik flink doorstappend toch de hele linkse fauna & flora kunnen onderzoeken. Dat was in die tijd trouwens niet moeilijk, want al wat links was had een eigen blaadje, alsmede colporteurs die ermee leurden. En er waren etalages, centra, winkels, standjes…
Daardoor kon je je in die dagen ook onder de radencommunisten begeven. Die hadden een contactadres in een randgemeente van Gent, de stad waar ik toen woonde. Op dat adres kon je literatuur afhalen.
Het centrum van het radencommunisme bevond zich in een rustige, residentiële buurt, in Gentbrugge dacht ik, in een woning die zich in niets onderscheidde van de buurhuizen. Geen vitrine, geen affiches, niets wat op enige linksheid wees, het huis zag er zelfs proper uit.
Een mooie, roodharige vrouw deed open. Het boek dat ik zei te willen kopen werd me aan de voordeur in handen gestopt, maar niet voordat ze de kaft langs haar jeans had gestreken. Wellicht deed ze dat om er het stof van weg te nemen, maar voor mij voelde het aan alsof ik haar met dat boek een beetje mee naar huis nam. Neen, ik heb haar nooit meer weergezien.
Veel later vertelde filosoof Leo Apostel me dat hij zich met het radencommunisme verwant voelde, maar de roodharige vrouw, die deze strekking voor mij op indrukwekkende wijze belichaamde, kende hij niet. Wat mijn vermoeden bevestigde dat de Gentse heropleving van het radencommunisme niet lang geduurd had.
Ik trok naar huis met een boek van Anton Pannekoek. Een pseudoniem dacht ik, ook omdat die naam op de kaft tussen haakjes stond en voorafgegaan werd door P. Aartsz.  Dat een auteur liever niet Aartsz genoemd wordt, begreep ik wel. Later vernam ik dat die mens echt Pannekoek heette. Het boek was een reprint van een oorspronkelijk werk uit 1946 en heette De Arbeidersraden.
Dat boek heb ik niet meer, want ik heb vele bibliotheken achtergelaten bij vrouwen die zo kwaad op mij waren/zijn dat ik er niet moest aan denken ook nog mijn boeken mee te nemen. Inmiddels beschik ik weer over een exemplaar, zij het een Engelstalige editie die ik hier van het net gehaald heb.
De Nederlandstalige versie had destijds grote indruk op me gemaakt. Nooit eerder had ik zoiets gelezen. Al de andere linksen waren eerder vaag wat de toekomst betreft, maar deze Pannekoek niet, die had alles op voorhand en tot in de puntjes uitgewerkt, zelfs de opvoeding van kinderen.
Dat stuk over de opvoeding staat in mijn geheugen gegrift. Ik zoek de passage in de Engelse versie weer op en vertaal ze als volgt: ‘Het gemeenschapsleven, dat correspondeert met de sterkste impulsen die in de kinderen zelf aanwezig zijn, zal veel meer plaats innemen; ze verlaten de kleine huizen en betreden de grote gemeenschapsruimte. De hybride combinatie van thuis en school wordt vervangen door kindercommunes die in belangrijke mate hun eigen leven regelen, onder de zorgvuldige leiding van volwassen opvoeders. De opvoeding zal niet langer bestaan uit het passief opnemen van onderricht van bovenaf, maar vooral uit persoonlijke activiteit, gericht op en verbonden met sociale arbeid.
Nu zullen de sociale gevoelens, die sinds de oertijd in iedereen, en heel sterk in kinderen, aanwezig zijn, zich kunnen ontwikkelen zonder dat ze onderdrukt worden door het egotisme dat in de kapitalistische overlevingsstrijd noodzakelijk is.’ (*)
Toen ik dat voor ’t eerst te lezen kreeg had ik nog geen kinderen. Inmiddels ben ik al lang grootvader, maar ik blijf het straffe kost vinden: kindercommunes die hun eigen leven regelen!
Flor Vandekerckhove

(*) ‘Community life, corresponding to the strongest impulses within the children themselves , will take much larger place; out of the small homes they enter into the wide air of society. The hybridical combination of home and school gives way to communities of children, for a large part regulating their own life under careful guidance of adult educators. Education, instead of passively imbibing teachings from above, is chiefly personal activity, directed towards and connected with social labor.
Now the social feelings, as an inheritance of primeval times living in all, but extremely strong in children, can develop without being suppressed by the need of egotism of the capitalist struggle for life.’

dinsdag 10 januari 2017

Zeer kort detectiveverhaal

— Van links naar rechts: 1. Ik ontvang mijn eerste klant; 2. het voorwerp; 3. de foto van de echtgenoot. —

Mijn eerste werkdag lag haast achter de rug, ik had mijn bureau ingericht en wilde juist afsluiten toen ze aanbelde. Ze werd de allereerste klant van het detectivebureau dat ik geopend had, The West Flemish Detective Agency.
Ze opende haar handtas en haalde er iets uit. ‘Ik heb dat in de jas van mijn echtgenoot gevonden’, zei ze, ‘en ik wil weten wat het is.’ Ze legde het op mijn bureau.
Edelmetaal, zo zag ik meteen, een stukje vakmanschap. Ik nam het op en bestudeerde het nauwkeurig. Wat ik zag was een metalen cilindertje ter grootte van een ring. Met daarin staafjes die magnetisch tot elkaar aangetrokken werden. Om ze uit elkaar te halen moest ik ferm veel weerstand overwinnen. Het was een mooi object waarvan het nut me een raadsel was.
Ze wilde weten wat het was, maar aan haar echtgenoot wilde ze dat niet vragen. Mijn eerste zaak. Ik zei dat ik het zou uitzoeken. Ik vroeg haar een foto van haar man en het nummer van haar bankkaart.
Toen ze weg was, stak ik het dingetje in mijn broekzak en ging naar huis. Mijn echtgenote vroeg me hoe mijn eerste dag verlopen was en ik vertelde haar over de klant en over het vreemde voorwerp dat ze me gegeven had. Ik legde het op tafel.
Ze herkende het meteen. ‘O maar’, zei ze, ‘dat is een tepelklem.’
‘Hoezo’, vroeg ik,’een tepelklem?’
‘Ja’, zei ze, ‘een tepelklem.’
Ik keek onbegrijpend naar het ringetje.
‘Kijk’, zei ze. Ze trok haar T-shirt omhoog, ontdeed zich van haar beha, trok de staafjes uit elkaar, stak er vlot een tepel tussen en liet voorzichtig de staafjes los. Ze klemden zich rond haar tepel die, zo viel me op, meteen groot en hard werd.
‘Wel verdorie,’ zei ik, ‘kust nu mijn kloten.’
‘Niet zo rap’, antwoordde ze, ‘eerst gaan we afwassen.’

Flor Vandekerckhove

zondag 8 januari 2017

Op zoek naar Anton Jaeger


— Links Daniël Bensaïd (1946-2010), rechts Anton Jaeger. —
Een essay dat met een citaat van Daniël Bensaïd aanvangt trekt meteen mijn aandacht. Dat komt doordat ik ooit naast die mens aan tafel gezeten heb. Het trekt ook mijn aandacht omdat ik weet dat filosoof Daniël Bensaïd (1946-2010) een Franse trotskist is. 
Filosoof, Fransman, trotskist, dat is haast per definitie iemand die alhier onbekend is. Wie met Bensaïd opent moet wel de milieus frequenteren die ook ik al eens durf op te zoeken. Toch zegt de naam Anton Jaeger me niets.
Mijn vermoeden wordt, verder lezend, almaar sterker: Terwijl de Belgische Marxist Ernest Mandel nog een kortstondige hoop op een Duitse revolutie koesterde, zouden de komende jaren vooral ontnuchtering brengen.’ Er zijn niet zoveel auteurs die Ernest Mandel vermelden, Jaeger kent zijn klassieken.
Vervolgens kijkt hij naar de overzijde van het politieke spectrum, die in dezelfde jaren aan een opgang begint die nog steeds niet voltooid lijkt. Jaeger ziet die rechtse opgang ook in de wereld van de ideeën: In de zogenaamde Historikerstreit in de tachtiger jaren stelde de Duitse historicus Ernst Nolte dat niet Auschwitz, maar de ‘Rode Terreur’ (de zogenaamde moorden op ‘contrarevolutionairen’ in de nasleep de Russische Revolutie) de “ware matrix” vormde voor de gruwelen van de twintigste eeuw.’
Vandaag vindt die theorie een laagtepunt in de aanvallen van politici (Bart De Wever, Gwendoline Rutten…) en intellectuelen (Bart Maddens, Maarten Boudry, Tinneke Beeckman…) op de PVDA, waarvan gevreesd wordt dat ze voor een doorbraak staat. De burger dient verwittigd te worden voor het gevaar van wat De Wever ‘ideologisch restafval van de Twintigste Eeuw’ noemt.
Wat ik daar zelf over denk heb ik hier eerder al verwoord, naar aanleiding van een eerdere doorbraak van die PVDA. Wat de essayist over dat alles denkt en hoe hij dat verwoordt moet je daar  in De Wereld Morgen — maar eens lezen. Intussen probeer ik uit te vissen wie die Jaeger is.
Ik zou het aan de sterkhouders van de Socialistische Arbeiderspartij (SAP) kunnen vragen, want de vernoemde Bensaïd en Mandel komen uit die vijver. Maar de ervaring leert me dat ze daar mijn vragen niet beantwoorden (en ik betaal nochtans nog altijd trouw mijn lidgeld.) Dus informeer ik eens bij mensen waarmee ik samengewerkt heb in de tijd dat ik nog ondernemend, daadkrachtig en vitaal was; mensen die inmiddels de SAP verlaten hebben, maar door mij nog altijd, en terecht, met kameraad aangesproken worden.
Bijna overal vang ik bot. Anton Jaeger? Nooit van gehoord. Ik ontwaar voorwaar een generatiebreuk, de oudjes kennen de jonkies niet meer. Tot iemand me zegt dat deze Anton de zoon van de Vlaamse choreografe Anne Teresa De Keersmaeker is en dat hij af en toe iets in De Groene Amsterdammer schrijft. Iemand anders meldt me dat hij in Cambridge aan een doctoraat werkt. Hij geeft me het adres van een website die me inleidt in de wetenschappelijke handel & wandel van deze jonge Anton. Mijn informant voegt er fijntjes aan toe dat hij geen hoge pet op heeft van ‘mensen die ganse dagen in boeken snuisteren… en een beetje afgesloten leven van de maatschappij’. Waarna hij afsluit met: ‘Of beeld ik me dat maar in?’
Dat laatste weet ik uiteraard niet. Ik zie dat die site ook een e-mailadres heeft. Ik zal het eens aan Anton Jaeger zelf vragen.
Flor Vandekerckhove


zaterdag 7 januari 2017

Planken in de gang

De straat scheidt onze huizen, we kijken uit op elkaars vensters. Mijn overbuur is een nieuw raam aan ’t steken. Hij kapt enige brokstukken van zijn muur, het nieuwe raam staat achter hem te wachten. Vanuit mijn zetel kijk ik naar zijn kapwerk. Buiten is het koud en binnen warm.
Onder zijn raamopening heeft hij een wasmand gezet. Die vangt het steengruis op. Ik vraag me af of die plasticmand daar stevig genoeg voor is. Ik val in slaap.
Niet voor lang. Een harde dreun maakt me weer wakker. Even weet ik niet wat er gaande is. Dan besef ik dat er een stuk steen in mijn gang terechtgekomen is. Hoe is dat kunnen gebeuren?
Ik ben nu een en al aandacht. Iemand schuift een metalen ladder uit elkaar, ik herken dat geluid. Het is mijn buurman die zijn steenklomp komt recupereren.
Ik wil opstaan om te kijken wat er gaande is, wat er in mijn gang aan de gang is, of de vloer niet beschadigd werd, of de buurman aan zijn steenklomp geraakt, of ik die mens moet assisteren… Maar ik… Het gaat niet. Ik kan mijn benen niet bewegen.
Old age is not for sissies, denk ik eerst, en da’s een zin die ik in een film gehoord heb. Daarna besef ik dat ik aan ’t dromen ben en dat ik geduldig moet wachten tot wanneer ik helemaal wakker word. (Op mijn leeftijd is ‘t een hele geruststelling te weten dat je onwillige benen niets met je leeftijd te maken hebben.) Ik kijk naar buiten en zie niets wat op weggeslingerde steenklompen wijst.
Het ontwaken duurt een hele tijd. Wanneer ik eindelijk weer meester over mijn benen ben, ga ik voor alle zekerheid toch in de gang kijken. Daar ligt, vreemd genoeg, geen steenklomp, maar wel een groot pak planken, oude houten planken, echt een hele stapel.
Ik trek de voordeur open en roep naar mijn overbuur om te vragen waarom die planken in mijn gang liggen. Hij zegt me dat het planken van zijn broer zijn. Hij heeft een broer, verneem ik nu voor ’t eerst.
De buurman komt zijn ladder af en samen kijken we in mijn gang naar de stapel. Hij zegt me dat zijn broer erg aan die planken gehecht is, dat hij ze daarom niet weg wil doen, maar dat hij, nu hij een nieuw raam steekt, er geen plaats meer voor heeft, dat hij ze daarom in mijn gang gelegd heeft. Hij voegt er aan toe dat ik die planken mag gebruiken, maar daar toch best mee wacht tot zijn broer overleden is. Zijn broer is al oud, zegt hij.
Omdat ik al heel lang iets over planken wil schrijven, stelt zijn antwoord me gerust. En weer val ik in slaap.

Flor Vandekerckhove

vrijdag 6 januari 2017

Het onfatsoenlijke fatsoen van George Orwell

— George Orwell (1903-1950) —
De laatste twee romans van George Orwell, De boerderij der dieren (Animal Farm) en 1984 (Nineteen Eighty-Four) zijn ook zijn bekendste. Er werden meer dan 40 miljoen exemplaren van verkocht. Dat komt mede doordat ze als propaganda verspreid werden: waarschuwingen tegen het socialisme. Dan is er ook nog de fameuze lijst van Orwell, waarin hij rode intellectuelen verlinkt.
Toch is Orwell tot zijn dood in 1950 zelf een socialist gebleven. Hoe valt dat te rijmen?
Socialisme is een huis met vele kamers. In The Road to Wigan Pier (1937) omschrijft Orwell andere socialisten als ‘nancy poets’, ‘vegetarians with wilting beards’, ‘earnest ladies in sandals’, ‘every fruit-juice drinker, nudist, sandal-wearer, sex-maniac, (…)’ Vooral de communisten moeten het ontgelden: ‘Bolshevik commissars (half-gangster, half-gramophone)’, en ‘shock-headed Marxists chewing polysyllables’. Mijn Engels schiet een beetje te kort om dat laatste vlug correct vertaald te krijgen, maar ik begrijp wel dat het geen lovende omschrijving is.
De beschrijving van ‘Bolshevik commissars’ als ‘half-gangsters, half-gramophone’ brengt hij uiteraard uit Spanje mee, waar hij in de burgeroorlog zo’n lieden aan het werk gezien heeft. Over die ervaring heeft hij Homage to Catalonia (1938) geschreven, zijn mooiste non-fictieboek. 
Veel aanhangers van het communisme hebben Orwell een trotskist genoemd. Dat slaat nergens op. Orwell verwerpt het marxisme. In tegenstelling tot de trotskisten staat hij negatief tegenover het bolsjewisme dat zijns inziens het stalinisme in zich draagt. In zijn Oorlogsdagboeken schrijft hij: Similarly, such horrors as the Russian purges never surprised me, because I had always felt that -- not exactly that, but something like that -- was implicit in Bolshevik rule. I could feel it in their literature.’
Orwell ziet de toekomst zwartgallig in. Zijn vrees valt te lezen in Coming Up For Air (1939), een roman die opent met een zin waar ik jaloers op ben: ‘The idea really came to me the day I got my new false teeth.’ Het hoofdpersonage keert terug naar zijn geboortedorp (‘I only wanted to get my nerve back before the bad times begin’). Maar het gevoel van zekerheid en continuïteit dat daar aanwezig was is nu verdwenen. ‘The bad times are coming, and the streamlined men are coming too.
Die ‘streamlined men’ komen van overal. Van het Duitsland van Hitler, van het Rusland van Stalin, maar ook uit Engeland: So you see he is still responding to the training of his childhood, when he was taught to hate, fear, and despise the working class.’
Orwell neemt in de socialistische beweging een heel aparte plaats in. Hij lijkt wel het enige lid van de SFP te zijn, een eenmanspartij, de Socialistische Fatsoenlijkheidspartij.
In Homage to Catalonië, schrijft hij: When I came to Spain, and for some time afterwards, I was not only uninterested in the political situation but unaware of it. I knew there was a war on, but I had no notion what kind of a war. If you had asked me why I had joined the militia I should have answered: ‘To fight against Fascism,’ and if you had asked me what I was fighting for, I should have answered: ‘Common decency.’
Common decency! Orwell wil dat het socialisme bepaalde aspecten van de British way of life vrijwaart, zoals de ‘gentleness’. Die waarden treft hij in ’t bestaande socialisme niet aan. Daar is een nieuwe partij voor nodig. Uit wat hij daarover zegt in The Lion and the Unicorn (1941) blijkt dat die partij toch weer een socialistische moet zijn: One must also add the following: approximate equality of incomes (it need be no more than approximate), political democracy, and abolition of all hereditary privilege, especially in education. These are simply the necessary safeguards against the reappearance of a class-system. Centralized ownership has very little meaning unless the mass of the people are living roughly upon an equal level, and have some kind of control over the government.’
In 1943 schrijft Orwell in As I Please: Don’t imagine that for years on end you can make yourself the boot-licking propagandist (…) and then suddenly return to mental decency. Once a whore, always a whore.’ Telkens komt het weer: decency, decency
Maar dat Once a whore, always a whore kan naar hem teruggekaatst worden. De propagandamachine van de Britse staat heeft van Orwell een succesrijk auteur gemaakt. Mag je het een wederdienst van hem noemen als hij in 1949 de namen van 35 Fellow Travellers aan de Britse overheid doorspeelt? Mij lijkt toch dat van geen kanten te rijmen met het fatsoen dat Orwell zegt na te streven.
Ook omdat ik niet nalaat het regelmatig te zeggen, weet u dat ik een militant trotskistisch verleden met me meedraag. Veel van wat ik daar geleerd heb lijkt me nog altijd waardevol te zijn. Zoals de houding tegenover het stalinisme. Je moet dat bestrijden, maar je doet dat in de arbeidersbeweging en niet door zo’n lieden aan de staat over te dragen.
Flor Vandekerckhove


woensdag 4 januari 2017

Leuke ontmoetingen in de toren van Babel

— Tussen kennedy en Luns staat de toren van Babel. —

Er is een tijd geweest waarin de aarde van enerlei spraak was. Zo staat het in de Bijbel en zo is het vlak na de Zondvloed ook geweest. Het water trekt zich terug, de overlevenden beslissen om een stad te bouwen en een toren, welks opperste in den hemel zij, en laat ons een naam voor ons maken, opdat wij niet misschien over de ganse aarde verstrooid worden!’
Een beetje vreemd is het, dat taalgebruik, met woorden als ‘enerlei’ en zinswendingen als ‘opdat wij niet misschien…’, maar u zult toegeven dat deze ‘spraak’ ook vandaag nog door iedereen begrepen wordt. Zo gaat het er dus in die tijd aan toe: al de mensen verstaan elkaar.
Om redenen die alleen de heilige Geest kent, vindt God die enerlei spraak maar niets. Daarom zegt Hij tegen Zichzelf: ‘Kom aan, laat Ons nedervaren, en laat Ons hun spraak aldaar verwarren’.
Zo gezegd, zo gedaan: ‘Alzo verstrooide hen de Heere van daar over de ganse aarde; en zij hielden op de stad te bouwen. Daarom noemde men haar naam Babel; want aldaar verwarde de Heere de spraak der ganse aarde.’
God had beter in Zijn Broek gescheten, want Zijn taalverwarring veroorzaakte vervolgens veel miserie. En ook wel enkele leuke momenten.
Zoals die keer dat de Belgische koning Boudewijn zijn toekomstige echtgenote aan de pers voorstelt. Omdat Gods taalverwarring in België altijd voor veel politieke deining zorgt, heeft Fabiola een spoedcursus Nederlands gevolgd. Om het gebeuren een beetje op te fleuren stelt de koning zijn aanstaande voor tijdens een wandeling. Zo schrijdt het koninklijk gezelschap statig door het park, gevolgd door een meute journalisten. Opeens kiest een konijn het hazenpad: ‘Oh kijk,’ roept Fabiola, helemaal in verrukking door het aanschouwen van dat beest, ‘kijk, een lapijn.’
Ook gebeurd tijdens een wandeling in het park, maar dan in Londen, tijdens de Tweede Wereldoorlog. Daar heeft de Nederlandse minister-president Gerbrandy een ontmoeting met Winston Churchill. De Brit snuift de lentelucht op en zegt: ‘Spring is in the air.’ Gerbrandy, die weet dat Churchill een grappenmaker is, antwoordt kwiek: ‘Do it yourself.’
Zo’n taalverwarring tussen ’t Nederlands en ’t Engels heeft zelfs een naam: dunglish, van Dutch en English. De Nederlandse buitenlandminister Joseph Luns was er een kei in.
In de jaren zestig ontmoet Luns de Amerikaanse president John Kennedy. Die wil weten wat ’s mans hobby is. Luns zegt trots: ‘I fok horses.’ Kennedy gelooft zijn oren niet en zegt op z'n Amerikaans: ‘Pardon?’ Waarop Luns enthousiast uitroept: ‘Yes, paarden!

Flor Vandekerckhove