donderdag 25 augustus 2016

In memoriam Kamiel Loontiens (1923-2016)


In Berchem overleed op 22 augustus Camille — Kamiel — Loontiens. Hij werd 93. De weduwnaar van Lea Denys werd in Oostende geboren op 26 november 1923 en bracht zijn jeugd in Bredene door. Hij was een generatiegenoot van mijn vader, een makker ook, en een oom van Bredenaar Roland Van Loo, en Roland is, zo weten de ouderen, de zoon van wijlen Wardje de vismarchang. Het was Roland die me van ’s mans overlijden op de hoogte bracht.
In de blog heb ik al verschillende stukjes geplaatst waarin Kamiel Loontiens voorkomt. Dat is het geval in V-teken, waar hij op de foto’s het nummer 4 draagt, en in Rolhockey waar hij op de foto staat met onder anderen Jef Brys en Georges Devriendt.
Op 6 december 2014 staat er op de het regionale bladzijde — Berchem & omgeving — van Het Laatste Nieuws een stuk over Kamiel, die daarin ‘het gezicht achter Antwerpse postkaarten’ genoemd wordt: ‘In eender welke souvenirwinkel waar je vandaag binnenstapt, pronken zijn kiekjes van ’t stad nog steeds in de typische rekjes met postkaarten.’
Als 12-jarige, nadat hij voor zijn plechtige communie een boxcamera had gekregen, leert het artikel ons, raakte de jonge Bredenaar al gefascineerd door fotografie. De beelden ontwikkelen, gebeurde in een geïmproviseerde donkere kamer in zijn ouderlijke huis.
— Kamiel Loontiens, hier in 2014, was ook in het rusthuis nog bezig 
met fotografie. (Foto Laenen-HLN) —
In de jaren 50 komt hij in Antwerpen op een boekhoudkantoor terecht. Hij verlaat dat bureau om assistent te worden van een… kerkfotograaf. Die vatte post aan de poort als de mis gedaan was. ‘Die man verdiende daar zoveel geld mee, dat ik voor mezelf ben begonnen’, zegt Kamiel. Hij schuimt kermissen, processies en stoeten af in het hele land. Loontiens’ zaak wordt zo succesvol dat hij op een gegeven moment tien fotografen in dienst heeft. ‘Soms maakten we 10.000 foto's op één weekend.’
Vanaf de jaren 60 ging het bergaf met de kermisfotografie. Mensen begonnen meer en meer zelf foto's te nemen. Een kameraad die werkte bij een postkaartenuitgeverij kwam op het idee om voor hen beelden te maken.
De mooiste foto die van de fotograaf zelf gemaakt werd staat misschien wel boven dit stuk. Kamiel Loontiens fotografeert Bredene. Hij bevindt zich bovenop een gebouw, in de dakgoot, wellicht van hotel Helvetia, op de hoek van de Duinen- en de Kapelstraat. Links in beeld zien we de tramlijn en daarachter ligt de nog niet ontdubbelde Koninklijke Baan. Op de achtergrond staan de al lang verdwenen schoolgebouwen van de Astrid.
Flor Vandekerckhove

woensdag 24 augustus 2016

Een romantische ziel

In 1988 neem ik een besluit dat mijn leven zal veranderen. Op de scheepswerf trek ik voor het laatst de laspost uit de stekker. Ik verhuis vanuit het binnenland naar de kust om daar de publicatie van een tijdschrift op mij te nemen. Dat tijdschrift is Het Visserijblad, het weekblad van de Vlaamse vissersgemeenschap. (*) De Vlaamse beroepsvisserij is in 1988 zo klein geworden dat er nauwelijks nog een afzetmarkt voor dat tijdschrift bestaat. Omdat het duidelijk is dat de sector ook in de daaropvolgende jaren verder gedownsized wordt, geeft de toenmalige uitgever er de brui aan. Ik krijg de titel cadeau.
Met enkele oude schoolkameraden richt ik een vereniging op die het magazine verder zal uitgeven. In de praktijk komt het erop neer dat het mijn ding wordt. Ik kom aan het hoofd te staan van een blad waarvoor er geen markt meer is. Vervolgens laat ik het nog een kwarteeuw voortbestaan. Het is een mooie tijd geweest, waarin ik de genoegens van een autonoom leven ontdek.
Ik kan je dat soort leven alleen maar aanbevelen. Wie de sprong wil wagen dient evenwel een en ander te weten: bezint eer ge begint!
Financieel heb ik het alleen maar volgehouden door me te verdiepen in wat sociale spitstechnologie heet, zo genoemd naar analogie met zijn tegenhanger, de fiscale spitstechnologie. Die laatste is het terrein van de rijken, de eerste is voor de working poor, de have nots.
Wie wil overleven moet weten te gluren in de kieren van de sociale bescherming. Je mag geen scrupules hebben en je moet van die sociale bescherming oneigenlijk gebruik willen maken; oneigenlijk, in de ogen van de middenklassen toch, klassen waar je sowieso afstand van moet nemen. Je wordt een déclassé die zich koorddansend ophoudt op de rode, verticale, smalle margelijn van een onbeschreven blad: links gaapt de marge, rechts de goegemeente.
Ik heb het ook alleen maar kunnen doen doordat anderen een bijdrage wilden leveren zonder dat ze ervoor betaald werden. We deelden immers de romantische idee dat we iets waardevols aan het doen waren: het redden van een tijdschrift. De economie van de markt werd vervangen door die van de gift.
Wie doet nu zoiets? Wel, het helpt als je een romantische ziel hebt/bent. Zo’n romantische ziel ziet dingen die er niet zijn. In Oostende ziet hij bijvoorbeeld een krantenstad. Tal van titels, levende en dode, passeren zijn geestesoog: De Zeewacht, Het Visserijblad, Het Nieuwsblad van de Kust, Het Pennoen, Tijdingen, De stoeten Oostendenoare, De Kinkhoorn, Le Courrier du Littoral, Duinengalm, De kustbode, Het kustblad, Voor allen… Al die titels gaan een woordenstrijd met elkaar aan, een strijd van ideeën, visies, mens- en maatschappijopvattingen. Het debat dat ze op ’t scherp van de pen voeren is gemeenschapvormend en dus belangrijk.
Elke titel die verdwijnt is een verarming. De romanticus vindt dat hij daar iets tegen moet ondernemen. Hij stelt zijn kennis, kunde en verbeelding in dienst van de verloren zaak en tart de wetmatigheden van de tijdschriftenmarkt. Dat is wat we gedaan hebben, en dat hebben we een kwarteeuw lang volgehouden.
Er valt veel af te dingen op de romantiek. Maar voor mij is ze toch waardevol gebleken en misschien is ze dat ook voor jou.
Flor Vandekerckhove

P.S.: De klimaatactivisten van Climaxi geven nu een eenmalig extra nummer van Het Visserijblad uit. Wie daar een exemplaar van in de bus wil krijgen, mailt naam & adres naar filip@climaxi.org.

(*) De al bij al indrukwekkende geschiedenis van dat blad heb ik hier al uitgebreid beschreven.

dinsdag 23 augustus 2016

Een sportkar van MG

Mijn vriendin heeft er sterk de nadruk op gelegd. Dat het een grote doos moet zijn. Dat ik moet oppassen, dat ze gaan proberen me een kleine mee te geven.
Voor me staat een jongeman van het atletische type. Op de rug van zijn sweater staat reclame voor de Kringloopwinkel. Hij vraagt hoeveel zijn schuld is. De apothekersassistentie zegt 49 euro en verbetert dat meteen in 49 cent.
Daar moeten ze beiden om lachen, de Kringloopwinkelman en de apothekersassistente. Zijn lichaam heeft haar in de war gebracht, dat zie ik wel, en ik zie ook dat ze dat niet wil laten blijken, waardoor het des te meer opvalt. Het spel van de seksen quoi. De jongen heeft vervolgens erg veel tijd nodig om het piepkleine bedrag bijeen te scharten. Hij doet het cent per cent.
Ik ben een ouder wordende man en ken mijn plaats. Ik verbijt mijn ergernis en wacht tot die twee het spel gespeeld hebben. Dat vraagt tijd.
Mijn blik glijdt van de Kringloopwinkelrug over de toonbank naar de apothekersassistente die haar taak in een openstaand, wapperend schort uitvoert. Ik vind dat niet erg professioneel, zo’n openstaand apothekersschort, net zomin als ik dat geflirt met die jongen professioneel vind, maar ik ken, zoals gezegd, mijn plaats en denk: ah, ’t is warm voor iedereen. Onder dat schort draagt ze hotpants. Reclame voor de Kringloopwinkel, een apothekersassistente in hotpants, de distributiesector is niet meer wat hij geweest is.
De jongen tast in zijn broekzak naar drie cent om er op de toonbank 49 van te maken. Om de tijd te verdoen bedenk ik een sportkar bij de apothekersassistente, een sportkar van het Britse merk MG, een T-model.
Die auto’s worden al lang niet meer gemaakt, maar in mijn kindertijd zijn dat gegeerde modellen. Aan het stuur zitten jonge meiden van het type apothekersassistente. Of ze zitten op de passagiersstoel, naast een erg atletisch gebouwde chauffeur.
Het is mijn beurt. Ik leg er de nadruk op dat het een grote doos moet zijn. Dat mijn vriendin daar de nadruk op gelegd heeft. De apothekersassistentie gunt me nauwelijks een blik (onder haar schort). De transactie is in een twee drie geregeld.
Ik kom thuis. Zie je wel, zegt mijn vriendin, dat ze je een kleine doos meegegeven hebben. Ik ben verstomd. Mij leek dat toch een grote doos te zijn. Niet dus. Ik wil die gaan omwisselen, maar daarvoor is het nu te laat, de apotheek is gesloten.
In mijn gedachten passeert de apothekersassistente in haar MG voorbij mijn deur. Haar schort wappert in de wind. Ze is op weg naar haar huis dat boven op een klif staat. Achter het stuur zit de jongen van de Kringloopwinkel. In mijn hoofd is het niet altijd gemakkelijk om een ouder wordende man te zijn. Bijna laat ik de MG-T van die klif storten, ik kan me nog net inhouden.

Flor Vandekerckhove

maandag 22 augustus 2016

Afscheid van de schilderkunst

— 1989. Flor Vandekerckhove (links) neemt afscheid van de schilderkunst. Hugo Brutin leidt het werk in. André Baert van de inrichtende galerie is in gedachten verzonken. —

In die tijd hield ik veel ijzers in het vuur. Geïnspireerd door Leonardo da Vinci wilde ik een homo universalis worden. Ik begon aan sport te doen en in F.C. Avondgenoegen nam ik enthousiast de positie van slingerback in. Ik werd journalist en gaf twee tijdschriften uit. Ik begon verhalen te schrijven, te schilderen en te beeldhouwen. Alles tegelijk!
Aan de basis van al die dadendrang lag een opvatting die zei dat creativiteit geen ambacht nodig had, een misvatting uiteraard. Daarover heb ik hier eerder al geschreven. Wat eveneens meespeelde was dat ik ontslag genomen had uit een politiek partijtje, waardoor ik een zee van vrije tijd over mij heen kreeg. Ook over dat engagement heb ik al geschreven, met name in een stukje dat, vreemd genoeg, Alles is seks heet.
Die veelzijdige dadendrang is destijds nogal opgevallen. Ik zie dat aan de krantenknipsels die mijn moeder zaliger over haar zoon bewaard heeft (en die ik pas na haar dood ontdek). In die doos zit een paginalang artikel uit De Morgen van 11 juni 1996, dat Het foert-gevoel heet. Daarin word ik in één adem vernoemd met de Britse koning Edward XIII en toenmalig CVP-voorzitter Johan Van Hecke. Beiden zouden, zegt het artikel, een mooie carrière opgegeven hebben om alleen nog maar hun eigen ding te doen. Het derde voorbeeld dat de journalisten aanhalen ben ik: ‘Voor Flor Vandekerckhove (47) heeft het dichtslaan van deuren allang geen geheimen meer.’
Michel Follet is dat ook opgevallen. Hij wordt op 12 maart 1992 geïnterviewd in Humo. ‘Ik heb ooit iets willen maken over mensen die hun leven bewust een andere wending laten nemen: ik ken iemand van een jaar of veertig die in een reclamebureau werkte en werkelijk zákken geld verdiende; van de ene dag op de andere heeft hij zijn carrière opgegeven en is hij teruggegaan naar zijn geboortestreek, de kust. Daar geeft hij nu een blaadje over de visserij uit en voor de rest leeft hij van het bestaansminimum. Inmiddels heeft hij ook een roman geschreven. Zulke mensen interesseren mij.’ Op die woorden valt veel af te dingen — zeker op die zákken geld — maar hij heeft het wel over mij. En in essentie heeft Follet ook wel gelijk. Ik ga in die tijd, tegen alle burgerlijke normen in, helemaal mijn eigen gang: schrijvend, voetballend, publicerend, schilderend, beeldhouwend. Geen van die bezigheden wordt voorafgegaan door enige scholing.
— deze 'tarotstukjes' vind je verzameld onder het
label 'Tarot', rechts in de blog. —
In de Dictionnaire des Peintres belges krijg ik een lemma: ‘Peintre et écrivain. Autodidacte. Après s’être d’abord consacré à des vues de mer, il évolue vers une forme d’art minimal ou l’écriture joue un rôle important.’
Die laatste zin verraadt een probleem. Gaandeweg ondervind ik dat mijn homo-universalis-ambitie te hoog gegrepen is. Enig talent brengt me wel tot op een zekere hoogte waar ik… vast kom te zitten. Wil ik dat niveau overstijgen dan moet ik het metier leren beheersen. Oefenen, oefenen, oefenen… Ik Moet Keuzes Maken!
Dat wordt me al duidelijk in 1989. In dat jaar heb ik een solotentoonstelling. Het Nieuwsblad van 18 april 1989 heeft het erover: ‘Sleutelwerk in de expositie is Afscheid van de schilderkunst. Na een vruchteloze zoektocht naar een eigen expressie in de schilderkunst, schreef Vandekerckhove het verhaal van zijn afscheid neer op doek.’
Het is inderdaad mijn laatste solo-expositie geworden. Met Annie Vanhee vorm ik nog wel enige jaren het exposerende kunstenaarskoppel PIAS (Paint It Again Sam), maar mijn bijdrage in PIAS wordt almaar kleiner, tot hij uiteindelijk helemaal uitdooft. En ik berg ook mijn voetbalschoenen op. 
In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister. Sindsdien probeer ik alleen nog korte stukken te schrijven, stukjes zoals dit, waarin werkelijkheid en verbeelding een spel met elkaar spelen. Als 't goed gedaan is dan is 't hard zoeken naar de grens tussen die twee. Soms slaag ik daar in, soms ook niet.
Flor Vandekerckhove

zondag 21 augustus 2016

Herinneringen aan Walter Debrock


Kort voor ik in 1988 probeer het teloorgegane tijdschrift Het Visserijblad nieuw leven in te blazen hoor ik Walter Debrock (1911-1996) op de radio. Hij heeft het over de geschiedenis van de Oostendse kapers.
Maritieme geschiedenis blijkt ‘s mans hobby te zijn. Kan ik die mens vragen om aan het blad mee te werken? Ik twijfel, Walter Debrock maakt niet bepaald deel uit van het jongensclubje dat ik bijeenbreng om dat blad weer uit te geven.
In het beroepsleven is hij leraar-prefect geweest, directeur van het middelbaar & het normaalonderwijs, administrateur-generaal van de Diensten voor Nederlandse cultuur, docent aan de VUB en voorzitter van de Raad van Beheer van dezelfde universiteit. Hij is, met andere woorden, niet het soort mens dat ik — yo de mannen! — spontaan op de rug sla.
Ik doe het toch, hem opbellen bedoel ik. In Brussel krijg ik een meer dan bereidwillig man aan de lijn. Ik vraag hem om ons een stukje over die kapers te leveren.
Dat stukje groeit uit tot een lange reeks, waarin elke Oostendse kaper een eigen aflevering krijgt. De reeks loopt vele maanden lang. Het Visserijblad speelt erdoor in een hogere divisie, het legt ons geen windeieren.
In die tijd publiceer ik ook mijn eerste literaire werken. Ik overtuig mijn uitgever om ook de ‘verzamelde kapers’ uit te geven. Dat gaat uiteindelijk niet door omdat die mens zijn onderneming onverwachts stopzet.
Ook omdat ik daar zelf nog een boek in de pijplijn heb zitten, richt ik naast Het Visserijblad een eigen uitgeverijtje op, De Lachende Visch. Die geeft in 1994 ook De Oostendse kapers van Walter Debrock uit.
Die boekvoorstelling herinner ik me als de dag van gisteren. Ik heb alles minutieus voorbereid. Er is een geslaagde voorverkoop geweest. Le tout Ostende is uitgenodigd.
In Oostende is er in die tijd een bankfiliaal dat zijn bovenverdieping openstelt voor culturele manifestaties. Ik reserveer de zaal. Jawel, voor vrijdag de dertiende, we lachen er nog om.
Dezelfde dag bezet een nieuwe filiaalhouder het kantoor. Hij moet zijn weg nog zoeken, zegt hij. Hij overhandigt me de sleutel en vertrekt op weekend. Die avond probeer ik de deur te openen. Tevergeefs, de sleutel past niet in het slot.
Debrock is intussen aangekomen. Hij ergert zich aan zoveel amateurisme. Ik kan hem geen ongelijk geven, maar ik kan er evenmin iets aan doen. Ik probeer de filiaalhouder te bellen. Zonder resultaat. Intussen komen al gasten aan. Ik bel naar de vorige filiaalhouder, ik bel naar andere bankfilialen, naar… Niemand neemt op, ’t is vrijdagavond. Zie me daar staan op de hoek van de grootste Oostendse winkelstraat, met mijn kartonnen dozen en een bende chic volk om me heen.
Ik moet iets bedenken. Om de hoek, op het Wapenplein, bevindt zich het Cultuurpaleis van Oostende. Dat heeft een open binnenplein. Dat is een openbare, maar toch afgescheiden plek, het is mooi weer, onweerachtig warm zelfs… Een boekvoorstelling in open lucht, het is weer eens iets anders.
Ik laat iemand achter bij dat bankfiliaal, die laatkomers naar het plein stuurt. Dat vult zich helemaal met genodigden. Vlak voor de plechtigheid van start gaat begint het out of the blue te regenen, niet zomaar een beetje, echt een hevige stortbui. Ik ben aan het einde van mijn improvisatiemogelijkheden.
Onder de genodigden bevindt zich Marc Victor die aan de Stad werkt. Hij heeft sleutels van dat Cultuurpaleis op zak, omdat hij daar bij calamiteiten binnen moet kunnen. Hij ziet het drama, laat zijn ambtelijke voorzichtigheid varen en opent de deur van de receptiezaal. Ik ben er hem tot vandaag dankbaar voor. 120 natgeregende genodigden stormen naar binnen. 
Flor Vandekerckhove


Op de foto bovenaan kan ik (links) er alweer om lachen. Walter Debrock (†), rechts, heeft het er moeilijker mee. Maar de gebroeders Piet (†) en Mathieu De Vestele zijn in hun nopjes; de broers zijn dan ook nazaten van een Oostends kapersgeslacht.

zaterdag 20 augustus 2016

Dokter Zjivago, een uitgave van de CIA

De Rus Boris Pasternak zet in 1954 een punt achter de laatste zin van zijn roman Dokter Zjivago, een liefdesverhaal dat zich afspeelt tijdens de Russische revolutie en de daaropvolgende burgeroorlog. Het boek heeft een lange bevalling gekend, want Pasternak begint er al in 1932 aan te werken. Die start haalt evenwel het einde niet: gaandeweg begint de schrijver anders over de dingen te denken.
In 1932 is hij nog optimistisch: het komt wel goed met de Russische revolutie. Van dat optimisme blijft tijdens Stalins grote terreur niets over. Pasternak smijt zijn manuscript in de stoof. Het zijn jaren waarin je als schrijver beter niet te veel opvalt.
In 1946 neemt hij de Zjivagodraad weer op en in 1954 is hij ermee klaar. In 1956 geeft hij het resultaat aan enkele Russische uitgeverijen. Die denken er niet aan om het te publiceren.
Lang geleden ben ik de film gaan bekijken. Ik herinner me niets waaraan de Russen zich geërgerd kunnen hebben, of 't zou aan de sentimentaliteit moeten zijn, want in de zaal  werden merkwaardig veel neuzen gesnoten. Ik heb het boek nu uit de bib gehaald en ben er kriskras in op zoek gegaan naar passages waar de Russische sensors een rode streep door getrokken hebben.
Wat denk je van deze? ‘De eigenmachtige revolutionairen zijn niet afschrikwekkend in hun gedaante van misdadigers, maar in hun gedaante van stuurloze mechanismen, van de ontspoorde locomotieven die zij zijn.’ Neen, dat zullen ze daar niet graag gelezen hebben. Dokter Zjivago zegt het tegen zijn Lara op bladzijde 319. En wanneer die Lara opmerkt dat Zjivago wel erg bitter geworden is als hij over de revolutie spreekt, dat hij veranderd is, antwoordt hij: ‘Dat komt, Larissa Fjodorovna, omdat er aan alles een grens is. Er had al lang iets bereikt moeten zijn. Maar het is nu gebleken dat de chaos van veranderingen voor de bezielers van de revolutie het enige is wat telt, en dat zij niet geïnteresseerd zijn in iets wat niet de afmetingen van de aardbol heeft. Het scheppen van werelden en overgangsperioden vormt voor hen een doel op zichzelf. Iets anders hebben zij nooit geleerd, zij kunnen zelfs niets anders. En weet u waarom ze zich zo aftobden met hun eeuwige voorbereidingen? Omdat het hun ontbreekt aan duidelijke capaciteiten, omdat zij talentloos zijn.’  Holala!
En op bladzijde 489 staat dit: ‘Revoluties worden gemaakt door mannen van de daad, door eenzijdige fanatici, door de genieën van de zelfbeperking. In een paar uren of dagen werpen zij de oude orde omver. Omwentelingen duren weken, vele zelfs jaren, maar daarna onderwerpt men zich weer tientallen jaren of eeuwenlang als aan iets heiligs aan de geest van bekrompenheid, die tot de omwenteling heeft geleid.’
De grote verhaallijn van het boek stopt in 1929 en suggereert daarmee dat de bekrompen tijden in dat jaar van start gaan. Neen, dat boek zal in de Sovjet-Unie geen kans krijgen.
Er worden typoscripten uit het land gesmokkeld. In 1957 is er een Italiaanse vertaling. In 1958 verschijnt het boek ook in ’t Engels, Frans en Duits. De eerste Nederlandse druk dateert van 1959.
De meningen over de literaire waarde zijn verdeeld, lees ik. Maar het maatschappelijk belang valt niet te ontkennen. Daarover zijn ook de KGB en de CIA het eens. De eerste doet er alles aan om het boek buiten Rusland te houden, de tweede zet alles in het werk om het daar binnen te krijgen.
Dat laatste is niet simpel, al is het maar omdat er nog geen Russische uitgave bestaat. De CIA beslist om een Russische piraateditie uit te geven. In 1958 is die klaar. In Brussel wordt het boek, tijdens de Wereldtentoonstelling — vooral in het paviljoen van Vaticaanstad! — in zoveel mogelijk Russische boodschappentassen gestoken. In hetzelfde jaar wint de schrijver de Nobelprijs. Pasternak vreest dat hij het land uitgezet zal worden en weigert de prijs in ontvangst te nemen.
Voor het eerst sinds 1929 slaagt een Russische auteur erin om, geboycot door zijn eigen regering, een boek buiten de Sovjet-Unie uitgegeven te krijgen. Boris Pasternak heeft daarmee een gat gemaakt in de voorheen ondoordringbare muur van de Russische censuur. Na hem zullen velen in dat gat duiken: Alexander Solzjenitsyn, Andrej Sinjavski, Joeli Daniël, Joseph Brodsky…
In 1959 sterft Boris Pasternak aan longkanker. Nabestaanden vechten om de rechten. In 1965 komt de kaskraker in de zalen. Omar Sharif speelt Zjivago, Julie Christie is Lara. Om me heen worden de zakdoekjes bovengehaald.
Een exemplaar van de piraateditie van het boek wordt nu tentoongesteld in het museum (!) dat de CIA in zijn hoofdkwartier heeft. Er staat een bordje bij: ‘Copy of the original Russian-language edition of Doctor Zhivago, covertly published by the CIA (…)’.
Flor Vandekerckhove

° Boris Pasternak. Dokter Zjivago. Vertaald uit het Russisch door Niko Scheepmaker. 2009. Utrecht, uitg. Signatuur. 600 ps.
° Peter Finn and Petra Couvée. The Zhivago Affair: The Kremlin, the CIA and the Battle Over a Forbidden Book. 2014. Uitg. Pantheon, 352 ps.

vrijdag 19 augustus 2016

Heremiet

’s Avonds, wanneer ik mijn fiets in de stalling gezet heb en ik me in de armen van mijn geliefde vlei, vraagt ze me al eens of ik die dag iemand gesproken heb. Het is een vraag waar ik dan een wijle over nadenk. Is de koerier gepasseerd? Ben ik zelf om boodschappen gereden? Heeft de buurman iets over het weer gezegd? (Dat is het zowat.) Neen, antwoord ik vervolgens naar waarheid, neen, ik heb met niemand gesproken.
Daarna moet ik weer een wijle peinzen, want ja, ik vind dat zelf wel eigenaardig, zo’n mens ais ik. Ik heb daar toch vragen bij, zoals deze: heb ik daar dan geen nood aan? Mis ik dat niet?
Eigenlijk niet, neen, en ik heb Sartre aan mijn kant, waar die zegt: als je je eenzaam voelt als je alleen bent, bevind je je in slecht gezelschap.
Ik probeer me het meest aangename gesprek met een derde te herinneren. En ik kom uit bij… een vogel. Over dat gesprek heb ik hier al iets geschreven. Ik ben een seculiere versie van Sint Franciscus van Assisi.
Ik woon alleen en verlaat mijn huis alleen wanneer dat echt nodig is. Om te joggen bijvoorbeeld, of wanneer ik iemand moet omleggen, of omdat ik ergens een verhaal moet voorlezen. Na afloop keer ik onmiddellijk weer naar huis. Na het joggen en na het mollen van een mens is dat evident, want dan sta ik helemaal in schuim & zweet. Na een optreden is dat al minder evident, want daar hangen sociale verplichtingen aan vast. Die ontvlied ik, ik ben erom bekend. Men zegt me dat ik op een sociale versie van Houdini lijk, de ontsnappingskunstenaar.
Een keer heb ik present getekend op de Boekenbeurs van Antwerpen. Een lezer — een lezeres nog wel! — heeft me daar een boek laten signeren. Ze zei: ‘Ooo, maar u bestaat ook echt!’ Waarna ik de signeertafel verlaten heb om de trein naar huis te nemen.
Nu word ik voor die beurs niet meer gevraagd. Ik schrijf thans in het ijle. De Laatste Vuurtorenwachter is mijn orgaan, het internet mijn medium, Google mijn uitgever, u bent mijn lezer. Via het wereldwijde web dringen mijn verhalen als vanzelf door tot in de diepste poriën van het Dietse volk, echt overal, tot hier zelfs, in de KVAMC.
Ik ga bij niemand op bezoek en ik ga naar geen enkel evenement, ook niet als dat ingericht wordt door de KVAMC. Ik ben een heremiet.
Heb ik dan geen vrienden? Jawel, maar ik zoek hen niet op. Ben ik een misantroop? Geenszins. Ik hou van de mensheid in het algemeen en van mensen in ’t bijzonder. Alleen vind ik dat geen reden om ernaar op zoek te gaan. Behalve als ik iemand moet koud maken natuurlijk.
Blaise Pascal zegt dat alle ellende op de wereld veroorzaakt wordt doordat mensen niet gewoon thuis kunnen blijven. Mij zal hij het niet kunnen aanwrijven.
Flor Vandekerckhove

donderdag 18 augustus 2016

Het pistool


Een vliegtuigmotor maakt ons wakker, niet zozeer door zijn geluid dan wel door het onderbreken ervan. De motor hapert, valt stil en wordt weer opgestart. En nog eens. Daarna niets meer. We slapen verder.
Boven onze hoofden heeft zich een drama afgespeeld, maar dat komen we pas ’s anderendaags te weten. Niet heel ver buiten de bebouwing is een vliegtuigje neergestort. Ik meen me te herinneren dat de piloot het overleeft, maar zeker weten doe ik dat niet meer, want ’t is lang geleden. Wel weet ik nog dat de wrakstukken op de heide liggen.
Koen, die daar dichtbij woont, weet waar ze liggen, die stukken. Op school spreken we af: we gaan de zaak onderzoeken. Koen zal ons leiden, hij kent daar de weg.
In mijn herinnering is het zomers warm. We zijn een nomadenstam, de stam van de korte beentjes, die het onbekende tegemoet gaat. Het is een lange tocht oostwaarts. Wellicht trekken we eerst een eind langs het strand dat een woestijn verbeeldt. Ter hoogte van de Visserskapel steken we de duinen over en vervolgens de Koninklijke Baan. Nu bevinden we ons in het grote onbekende. Koen wacht ons daar op. Met hem hebben we een wachtwoord afgesproken, zodat we elkaar meteen herkennen in dit onbekende gebied. Over onverharde wegen leidt hij ons de heide in, — d’heie!
Een perimeter! Het gebied waar het vliegtuig neergestort is werd afgesloten. Verboden te betreden. Voor ons valt er niets te zien, niet op die afstand. In de verte zien we iets wat een wrakstuk kan zijn. Of iets anders. Het vliegtuig zou in zijn val een boom geraakt hebben. Het enige wat we zien is een lage struik. Teleurstelling.
De zon staat in het zenit. In het gras ligt iets te glinsteren. Een stuk wit metaal. ik neem het op, het is, godver… Een wapen. Geen plastic spul, echt metaal! En zwaar. Een zwaar pistool. Dat kan alleen maar het wapen van de piloot uit het neergestorte vliegtuig zijn. Hoe kan het anders op de heide terechtkomen? Het is ons meteen duidelijk dat de vliegenier een missie had. Keuze te over: spionage, smokkel, nog meer misdaad, een geheime militaire taak… Het enige wat we met zekerheid weten is dat het pistool uit het neergestorte vliegtuigje gevallen is. Of gesmeten, dat kan ook.
De makkers staan rond me. Ik weiger hun het pistool te geven, zo ’n trofee geef ik niet uit handen. Is het wapen geladen? We weten het niet. We kijken nog eens in het rond. Niemand in de buurt. Ik richt de loop naar de grond, mijn makkers steken de vingers in de oren. Ik haal de trekker over. Niets. Het pistool is ongeladen.
De terugweg kan niet rap genoeg afgelegd worden. Het pistool weegt zwaar, zowel in mijn broekzak als op mijn gemoed. Enerzijds wil ik met mijn vondst pronken, anderzijds bestaat de kans dat het pistool me dan meteen afgenomen wordt. Toon ik het aan mijn ouders of verberg ik het op een geheime plek?
Trots wint het van mijn vrees. Thuis zit mijn vader in zijn zetel. Hij leest de krant. Ik besluit hem mijn trofee te tonen: kijk eens wat ik gevonden heb. Mijn vader neemt het zware wapen in handen, klikt het open, ziet de nis waar het rolletje met klappertjes ingebracht moet worden, plooit het pistool weer dicht en leest verder in zijn krant. Mijn vader is een spelbreker.

Flor Vandekerckhove

woensdag 17 augustus 2016

Leren schrijven met de Boer

We reizen niet alleen om te leren, we lezen ook om te leren. Om de techniek ervan beter onder de knie te krijgen lees ik graag de extreem korte verhalen van kleppers als Isaak Babel, A.L. Snijders, Felix Fénéon, Franz Kafka, Bertolt Brecht… Over al die lieden heb ik hier eerder al iets geschreven. Ook over Herman Pieter de Boer heb ik daar al iets geblogpost, maar hier geef ik er nu nog een extra lap op.
Zo doet de Boer (1928-2014) het in zijn verhaal Veldpost. Soldaat Loftus krijgt een brief van een buurmeisje. Die gaat zo: ‘Beste Loftus, ik schrijf je een brief want je bent ver weg. Hoe gaat het met jou? Hier gaat alles goed. Ons varken heeft gebigd. Elf stuks. Gisteren heeft het vreselijk gestormd. Mijn vader zijn pet lag in de sloot. Nu Loftus, ik eindig, het papier is vol. Anna.’
Herman Pieter de Boer wijdt er verder niet veel woorden aan. Hij schrijft alleen nog die ene bijzonder straffe slotzin: ‘Wel allemachtig!’, riep Loftus ontroerd. ‘Een liefdesbrief!’
Het verhaal van de Boer is eigenlijk een mop. Aan de tapkast zou hij voorafgegaan worden door de woorden: ‘Ken je die mop van de soldaat die een brief kreeg van een buurmeisje?’
Niet alle verhalen zijn moppen, maar alle moppen zijn wel verhalen. Elke mop die verteld wordt kun je immers ook neerschrijven en wat krijg je dan? Een verhaal.
Nog eentje om het af te leren. In het verhaal Hulp vertelt de Boer over ene Berend die bij zijn vriend op bezoek gaat, juist op het moment dat die zich wil ophangen. Zijn hoofd zit al in de strop, alleen de stoel moet nog weggeschopt worden. ‘Waar leven is daar is hoop,’ zegt Berend. ‘Er is niets dat zo’n daad kan rechtvaardigen.’ Vervolgens vertelt die vriend hem waarom hij zo wanhopig is. Nadat Berend dat aangehoord heeft, sluit Herman Pieter de Boer het verhaal af met: ‘O, als het dat is,’ zei Berend, ‘dan wil ik je wel helpen.’ En hij schopte de stoel weg.
Waaruit we dit leren: de ene mop is al beter dan de andere. En met de verhalen van Pieter de Boer is dat niet anders.
Flor Vandekerckhove


Herman Pieter de Boer, De vrouw in het maanlicht en andere zonderlinge verhalen. 3de druk. Kempen Uitgevers, Zaltbommel. 2006.

dinsdag 16 augustus 2016

Over de integratie van Martin Heylen

— Martin Heylen en Ines Defurne in de coulissen van De Grote Post Oostende, waar ze optraden in Tussen haven en storm. (Eigen foto) —

‘Het moest er ooit van komen dat ik aan de kust zou neerstrijken.’ Het zijn woorden van Martin Heylen. Ik lees ze in ‘Onze Vissers. Het DNA van het zilte leven’. Zegt Martin Heylen in dat boek: ‘Mijn vrouw en ik hebben ons huis in het binnenland verkocht en zijn nu officieel genaturaliseerde Oostendenaren.’
Volgens Heylen is de integratie niet zonder slag of stoot verlopen: ‘Het is toch anders dan ik me had voorgesteld. Ik trok de eerste maanden met een jongensachtige verwachting naar de Vistrap. Daar voelde ik een afstandelijkheid die ik niet kon plaatsen. Mijn interesse voor de vis wekte zelfs argwaan. Misschien dachten ze dat ik een controleur was.’
Daar kan ik me iets bij voorstellen, want er is niets dat in de visserij zo gewantrouwd wordt als vermeende controleurs, of het zouden niet-vermeende controleurs moeten zijn. Het is wellicht ook daarom dat er een stilte valt wanneer Martin Heylen, nabij die Vistrap, zijn eerste stappen in een Oostends café zet.
Maar kijk, intussen is dat etablissement zijn stamcafé geworden. Nu wordt hij daar hartelijk op de rug geslagen. Nu mag hij met de autochtonen aan de toog aanschuiven om er te luisteren naar de meeslepende, maar daarom zeker niet waargebeurde verhalen over zwartwerk, niet geregistreerde vangsten, het olijke vissersleven en over de verwenste controleurs.
Intussen heb ook ik Martin Heylen leren kennen. En het vissersmilieu ken ik al langer. Daardoor kan ik met enig gezag zeggen dat er geen enkele reden was om te denken dat hij hier een vreemde eend in de visserijbijt zou blijven. Ik kan u ook zeggen waarom: zijn basis is goed.
Martin Heylen groeide op in een volkscafé. Daarover zegt hij: ‘Ik kom zelf uit een arbeidersmilieu, en ook in ons café vlogen de bierglazen soms in het rond.’  Ja, dat zit goed, dat herkennen we, dat schept al een band.
Toen hij zestien werd was hij het schoolleven beu en trok hij de fabriek in. Schoolmoe: ook dat herkennen we, ook dat vergemakkelijkt de integratie.
Hoe kijkt hij daar nu op terug? ‘Na acht lange jaren slaagde ik erin om me letterlijk de fabriek uit te schrijven.’ Ja, dat begrijpen we ook goed in de visserij. Na acht jaar willen de meesten daar ook wel weer uit weg.
Nu is Heylen een gerespecteerd journalist geworden, een televisiemaker en een wereldreiziger. Dat laatste kwam de Oostendse vissersgemeenschap goed van pas. Het gaf de vissers de nodige tijd om er eens goed over te papaberen en het er uiteindelijk over eens te worden: Martin is géén controleur! Voorwaar ik zeg u: hij mag blijven.
Flor Vandekerckhove

P.S.: In het weekblad De Zeewacht publiceerde ik eerder al een korte versie van dit stuk. Daar kreeg ik toen reactie op van een lezer. Andries van Rijsbergen schreef me:
'Iedere week lees ik met aandacht je column ‘Lapkoes’ in De Zeewacht. Sedert 12.02.2012 sla ik je ook de blogposts van De Laatste Vuurtorenwachter op. Vandaag staan er al 506 op mijn pc. 
Nu, to the point. Ik heb al bij verschillende gelegenheden mijn aversie geuit over de termen ‘aanspoelen’ en ‘aangespoelden’. Ik associeer dat taalgebruik met rotzooi, rottigheid en dood.
In Lapkoes las ik met grote voldoening dat Martin Heylen het heeft over neerstrijken. Wat een pracht van een uitdrukking! Het heeft iets elegants, iets aangenaams en iets met genotvol leven. De Grote Vandaele geeft een paar mooie voorbeelden als toepassing: ‘Zij strijken ‘s namiddags onder een kruik bier hier aan de Groene Valk neer’ en ‘Een koppel patrijzen is daar neergestreken.’ Toch mooi, niet?
Ik zou het leuk vinden mijn enthousiasme voor het 'neerstrijken' te propageren. Alles is beter dan dat ‘aanspoelen’.'
[Er zijn inmiddels al reacties gekomen. U vindt ze hieronder.]