zondag 19 februari 2017

Herinneringen aan ’t Fonteintje


— Op de linkerfoto staat ‘de poere’ achter zijn indrukwekkende tapkast. Rechts zijn we in het café deelgenoot aan een eetfestijn. —

‘Als ik die muziek weer hoor, denk ik steeds aan die feesten. Stel je voor: een café vol jonge vissers en jonge meiden, opgezweept door drank en hormonen. Het speelse jagen van de singles en de meesterlijke levensopvattingen van de duurzame koppels.’ Dit lyrische citaat komt uit de pen van schipper op rust Eddy Serie. Het stond in Het Visserijblad van oktober 2011.
Wat Eddy bedoelt met ‘meesterlijke levensopvattingen van de duurzame koppels’ weet ik niet, maar de muziek waarover hij het heeft is pop uit de sixties en het café is ’t Fonteintje in Oostende, op de hoek van de Kaaistraat en de Sint-Paulusstraat.
Eddy Serie:Café ’t Fonteintje is vanaf de jaren dertig een rasecht visserscafé. Begin jaren zeventig kent het zijn hoogtepunt als mijn vriend Maurice (Pies) Zanders er, na een loopbaan in de kustvisserij en op IJsland, cafébaas wordt. Het is dan het best bekende en meest beklante visserscafé van de Belgische kust. Er komen vissers en beoefenaars van allerhande beroepen die rond de visserij draaien. Meisjes en jonge vrouwen die graag bij jonge vissers vertoeven vinden er hun gading.’ 
‘De visserij viert er zijn hoogtepunten. Je kunt er de meest bekende kapiteins van de IJslandvisserij treffen, op stap met hun bemanningen, er zijn de kustvissers, de mannen van de grote bokkenvisserij, reders, peerders, vissers die aan lager wal geraakt zijn, jongens van de Vuurtorenwijk die qua mentaliteit sterk aanleunen bij de Engelse arbeidersjeugd. We treffen daar ook enkele jonge voetballers als Rudy Tempere en Henri D’hulster, die het mooie weer bij K.V.G.O maken.’
Ik zou daar niet op terugkomen, ware het niet dat ik onlangs een mail kreeg van een oud-schoolmakker: Mijn nonkel Gilbert Laforce was een visser en hij had een schip dat op het klein strand van Oostende vastgelopen is. Hij heeft daar toen een zware longontsteking opgelopen omdat hij zijn schip niet wilde verlaten. Daarna heeft hij het visserscafé ‘t Fonteintje opengehouden waar het kordeel uitbetaald werd.’
Het kordeel! Dat is zo’n ogenblik waarop ik het Oostends woordenboek van Roland Desnerck uit de kast haal: ‘kordailgêld: drinkgeld van de visser dat voortkomt van de verkoop van kordailvis.’ En daaronder staat dit: ‘kordailvis: hoeveelheid platvisjes van achttien tot twintig centimeter lengte en kleine ronde vis zoals pieterman, knorhaan, wijting enz. waarvan de opbrengst ten goede van de bemanning van een vissersvaartuig kwam.’
Ik stuur het bericht door naar mijn informanten. En een uur later krijg ik al bericht van Daniël Eyland: ‘Ik heb Gilbert Laforce gekend. Hij had een lapnaam: de poere.’
Weer grijp ik naar ‘de dikke Desnerck’: poere: 1. bult, bochel; 2. bultenaar.’
Hoezo? Was kroeguitbater-visser Gilbert Laforce een bultenaar? Ik vraag het aan Eyland: ‘Een bultenaar was hij niet, maar hij moest wel dagelijks verzorgd worden aan zijn rug en longen.’ Misschien had dat wel te maken met de zware longontsteking die hij opgelopen had omdat hij zijn gestrand schip niet had willen verlaten.
Eyland weet er dit nog aan toe te voegen: ‘Als een visser het in zijn café al te bont maakte, dreigde de poere ermee zich te laten vallen. Daar zou hij de onruststoker de schuld van geven en die zou dan de rekening gepresenteerd krijgen. Gevolg: de woelmaker bond meteen in.’

Flor Vandekerckhove

— Op de linkerfoto staat ’t Fonteintje in 1935. Het café heet dan A la Fontaine en wordt uitgebaat door het echtpaar Senave-Conrieri. Rechts heet het niet alleen In ’t Fonteintje, maar ook Dancing bij Jacqueline. Voor de deur staan Albertine Eyland en haar man Roger Tourlemain. (Met dank aan D. Eyland voor de foto.) —   
— Gilbert Laforce staat op de linkerfoto aan boord van een vissersvaartuig. (Met dank aan Wilfried Laforce.) Op de rechterfoto is hij uitbater van ’t Fonteintje geworden. We zien hem daar in het gezelschap van Albertine Eyland, moeder van Freddy Tourlement, Georges Laforce, een onbekend meisje, een onbekende jonge vrouw en Marie-Louise Moyaert. (Foto archief Daniël Eyland.) —

vrijdag 17 februari 2017

Alles ligt in de kinderjaren en mijn blog ligt in de boekwinkel

— Cesare Pavese en Kitty Geerts. —
Op 13 februari 1949, een dag nadat ik geboren ben, maakt Cesare Pavese een dagboekaantekening. Hij legt daarin de bron bloot die ook mij al tot zoveel stukjes geïnspireerd heeft.
‘Vreemd ogenblik waarop je (op je dertiende of twaalfde) je losmaakte van het dorp, een glimp opving van de wereld, op fantasieën wegdwaalde (avonturen, steden, namen, nadrukkelijke ritmes, het onbekende) en niet wist dat er een lange reis aanving die je, door steden avonturen namen verrukkingen onbekende werelden, weer terug zou voeren naar de ontdekking hoe vol van al die toekomst juist dat ogenblik van afstand was — het ogenblik dat je meer dorp was dan wereld — als je nu terugkijkt. Dat komt doordat je nu de wereld  de toekomst in je hebt als verleden, als ervaring, als techniek; en het eeuwige, rijke mysterie blijkt weer te liggen in dat kinderlijke in je dat je niet op tijd in bezit hebt genomen.’
Daarna vat hij het nog eens samen: ‘Alles ligt in de kinderjaren, ook de bekoring die toekomst zal zijn, die men alleen dan voelt als een wonderbaarlijke impuls.’
Daar mag ik echt niets aan toevoegen, maar ik mag er wel iets aan kleven dat er niets mee te maken heeft.
Gisteren kreeg ik bericht van een lezer uit Nederland, een lezeres nog wel. Kitty Geerts is ook schrijver en ze werkt in boekhandel De Kler in Leidsenhage. Nadat ze kennis gemaakt heeft met De Laatste Vuurtorenwachter schrijft ze me: Geweldig. Na een eerste blik, mag ik de teksten gebruiken in onze boekwinkel? Er is bijvoorbeeld een boek uit over de existentialisten en jouw blog [Ze heeft het over ‘Camus versus Sartre’ dat je hier vindt.] sluit daar perfect op aan. Mag ik een stuk of vijf over Camus en Sartre uitprinten met jouw naam erbij en die naast het boek op de tafel leggen? Belangstellenden kunnen dan het A4tje meenemen en thuis jouw blog bezoeken. Ik zal die er netjes bijzetten en aanprijzen. Weer eens een ander verhaaltje aan de balie dan het weer :-) En gij nu!
Flor Vandekerckhove


Cesare Pavese. Leven als ambacht. 1991. De Bezige Bij, A’dam. 419 blz. Oorspronkelijke titel: Il mestiere di vivere. 1953.

woensdag 15 februari 2017

Bergkippen


Dat is de eerste gedachte die in mij opwelt wanneer ik mijn beroepscarrière overschouw: de wegen die naar het pensioen leiden zijn niet te voorspellen, toch niet op voorhand.
Onmiddellijk na mijn studies ben ik aan de slag gegaan in een experimentele kippenkwekerij. Wie mijn familiegeschiedenis een beetje kent zal niet verwonderd zijn, want mijn ouders baatten een kleine onderneming uit die gemeenzaam de kiekenwinkel genoemd werd. De stap naar de kippenkwekerij was derhalve niet erg groot.
Voor mij is dat een markante periode geweest, zowel in het beroepsleven als in mijn muzikale ontwikkeling. Dat niets u daarvan bekend is valt licht te begrijpen, want ik heb er nooit eerder over gesproken. ’t Wordt tijd dat ik dat nu toch doe, want binnenkort is het te laat.
In die kwekerij hebben we een nieuw ras ontwikkeld: de Vlaamse bergkip. Die heeft een korte en een lange poot, wat voordelig is voor hoenderhoven die in bergstreken gevestigd zijn. Door de ongelijke pootlengte slagen de kippen er wonderwel in om zich tegen een schuine bergwand recht te houden. En ze leggen vierkante eieren, kubussen. Niets dan voordelen, want zo’n ei rolt niet van de berg en een kubus is ook gemakkelijker te stapelen. 
Doordat er in Vlaanderen weinig echte bergwanden zijn is de soort hier onbekend, maar wie de Oeral al bezocht heeft of de Apennijnen heeft beklommen weet dat de Vlaamse bergkip daar een heus begrip is. In Italië heeft men het over il pollo montagno flammingo en in Rusland zegt men Фламандская горная курица.
De experimentele kippenkwekerij werd streng beveiligd. Dat moest wel. Enerzijds deden concurrenten er alles aan om ons onze bedrijfsgeheimen te ontfutselen en anderzijds waren er dierenvrienden die onze experimenten wilden boycotten. Daardoor komt het ook dat het personeel contractueel verplicht werd op de kwekerij te verblijven. Ik heb er niet alleen gewerkt, maar ook vijf jaar geleefd. Samen met de andere medewerkers vormde ik daar een kleine, hechte gemeenschap van kippenkwekers.
Er was nauwelijks vertier. Dat komt mede doordat alle energie naar de kweekinstallatie ging. De weinige elektriciteit die ons restte gebruikten we voor de was en de plas, maar televisie was daar niet. We moesten zelf voor onze ontspanning zorgen.
Daardoor komt het dat ik me bij het plaatselijke accordeonorkest aangesloten heb, The Chicken Farmers Orchestra. Dat bestaat nog steeds, maar heet nu The Lighthouse Keeper’s Jumping Five. Ik heb hieronder een foto van het kwintet geplaatst. Boeken kan ook vandaag nog (indien niet ernstig, zich onthouden).

Flor Vandekerckhove

dinsdag 14 februari 2017

Camus versus Sartre

—  Zowel Albert Camus als Jean-Paul Sartre waren krantenjongens. Links corrigeert Camus een van zijn teksten, rechts zien we Sartre en de Beauvoir terwijl ze La Cause du Peuple colporteren. —

In het naoorlogse Parijs zijn ze de herauten van de menselijke vrijheid. De kranten schrijven uitgebreid over hun strapatsen, want Albert Camus en Jean-Paul Sartre geven een stem aan wie in die tijd jong en zoekend is. Camus en Sartre zijn iconen. En ze zijn vrienden.
De vriendschap blijft niet duren. De kwestie van de vrijheid en hoe haar na te streven wordt een breukpunt.
In 1951 publiceert Albert Camus het ophefmakende essay De mens in opstand, een amalgaam van politieke, literaire en filosofische bedenkingen over de revolte. Hoezeer hij in dat boek zegt de revolte te omarmen, zozeer verwerpt hij daarin de revolutie. De opstandige zegt neen tegen het onrecht, schrijft Camus, maar anders dan de revolutionair verliest hij zich niet in de totale vernietiging.
Sartre vindt het een erg slecht werk. En hij vindt dat revolutionair geweld een conditio sine qua non is om tot vrijheid te komen.
De breuk tussen de twee vrienden is in Frankrijk een mega mediagebeurtenis. Het nummer van Les Temps Modernes, waarin een acoliet van Sartre het boek van Camus de grond in boort, wordt tot drie keer toe gedrukt en drie keer wordt het uitverkocht. De fall out van de broedertwist wordt in kranten en tijdschriften druk becommentarieerd.
Dat komt ook doordat beiden zelf deel uitmaken van de wereld van de pers. Sartre heeft met Les Temps Modernes zijn eigen tijdschrift. Camus heeft zijn weg naar het goedkoop papier gevonden via Combat, waarvan hij in de jaren veertig de eindredacteur is.
Het engagement, waarmee hun denken zo verbonden is — en de indrukwekkende dadendrang die ze met elkaar delen — vindt ook een weg naar merkwaardige, marginale blaadjes waarvoor menig onderwijzer de neus zou optrekken. Albert Camus is bijvoorbeeld tot zijn dood geabonneerd gebleven op La Révolution Prolétarienne, een revolutionair syndicalistisch blad dat dan al ver over zijn hoogtepunt heen is, maar dat na het dodelijke accident van Camus, in 1960, nog een artikel kan plaatsen dat hij voor het blad geschreven heeft. Jean-Paul Sartre leent dan weer zijn naam aan La Cause du Peuple, en hij doet dat nadat het maoïstische blad in 1970 een verschijningsverbod opgelegd krijgt. Meer zelfs, samen met Simone de Beauvoir trekt hij de straat op om dat clandestiene blad te verkopen. Waarna ze er een gaan kraken in Café de Flore.
Dát waren tijden!

Flor Vandekerckhove

maandag 13 februari 2017

Bruidegom ontvliedt super trouwfeest


In het benzinestation ging een trouwfeest door. De gasten deden zich tegoed aan versnaperingen uit de nachtwinkel die achter de pompen gouden zaken deed. Er werd gedronken en gedanst. Uit de luidsprekers knalden schlagers die iedereen luid meezong. De bruid zag er verrukkelijk uit.
Eerst sloeg ik de merkwaardige gebeurtenis afstandelijk gade, maar zodra mijn tank gevuld was werd ik meegezogen in een wilde polonaise die naast de superpomp op gang kwam en doorheen de winkel trok, voorbij de lachende kassier, waarna het weer naar buiten ging, waar de sliert een extra rondje maakte rond de ietwat afgelegen installatie waar je LPG kunt tanken en dan terugkwam naar de pompen waar mijn auto stond.
Ik had toen meteen naar huis kunnen rijden, maar dat deed ik niet. Ik bleef daar hangen tot het einde. Het begon alweer te dagen toen ik eindelijk mijn rit voortzette. 
Toen ik de auto voor mijn deur geparkeerd had, schrok ik me een hoedje. Op de achterbank lag een mens te slapen in wie ik de bruidegom herkende.
Nadat ik hem wakker geschud had, sprak mij lachend toe: Het daghet in den Oosten, zei hij, 'Het lichtet overal; / Hoe luttel weet mijn liefken, / Och, waer ick henen sal.’ 
Ja, dat is waar, dacht ik, maar meer nog dacht ik aan de kater van benzinewalmen die zich in mijn hoofd aan 't vormen was.
Flor Vandekerckhove

zaterdag 11 februari 2017

Wilfried Laforce, een loper die niet in 't gareel wil(de) lopen

— Wilfried Laforce (links) en Flor Vandekerckhove. —

Enige tijd geleden postte ik hier en daar een reeks schoolfoto’s. Het zijn beelden die me doorheen mijn adolescentie volgen, van de zesde moderne humaniora tot en met het eerste wetenschappelijke A. De jongens op de foto’s hebben in die tussentijd de schoolbanken met elkaar gedeeld.
Dan leer je elkaar wel kennen, zou je denken. Niets blijkt minder waar te zijn.
Deze week heb ik Wilfried Laforce weergezien, een oud-klasgenoot die meermaals op die foto’s staat. Ik herinner me hem als de jongen die ons allemaal voorbijstak. Sprint of duurloop, cross of piste, Laforce liet ons achter zich, allemaal, altijd, en hij deed dat moeiteloos.
Dat hij voor zijn hogere studies iets met sport kiest zal niemand toen verbaasd hebben, maar hoe komt het dan dat ik in de vroege jaren zeventig een kroeg binnenstap die tot mijn verbazing door Wilfried uitgebaat wordt?
Diens drukbezochte Drakenstaart lag in de Oostendse Christinastraat, vlak om de hoek van het college waar een groot deel van het cliënteel zijn broek versleten had.
Die Drakenstaart was niet zomaar een café. Er was een sleep-in (Laforce: ‘Wellicht was het de eerste in België.’) en er vergaderde een werkgroep van de christelijke Gemeenschap van Taizé. Evengoed kwam de post van Amada er toe. Er hing al eens een hasjgeurtje. Politie en Rijkswacht wisselden elkaar af om dat ‘sociaal centrum’ onder controle te houden.
Wilfried Laforce, sportman en kroegbaas! Er zit iets ongerijmds in de combinatie, maar ik ben daar toen niet op ingegaan. We bevinden ons op dat moment immers in de nadagen van mei 68 en in die tijd is alles mogelijk.
De Drakenstaart bestaat al lang niet meer. Wilfried is nu een gepensioneerde turnleraar. Na een actief leven in Brabant is hij naar zee teruggekeerd. De kinderen zijn het huis uit en hij woont met zijn echtgenote in De Panne.
Wat ik hem lang geleden al had moeten vragen, vraag ik nu: ‘Wat bezielt iemand die in Leuven Lichamelijke Opvoeding studeert om in Oostende een kroeg te openen?’
In het antwoord ontvouwt zich ‘s mans persoonlijkheid. Wilfried Laforce blijkt een mens te zijn die maar moeizaam met opgelegde eisen om kan gaan wanneer die hem als zinloos en willekeurig overkomen. Ook heeft hij een hekel aan onrechtvaardigheid. Een autoritaire prof is al genoeg om zijn studies te onderbreken. Laforce: ‘Als je in de sport de top wil bereiken word je eigenlijk een marionet van de trainer of club.’
Wilfried is een rebel en hij is dat al van in zijn collegejaren.
Die Laforce herinner ik me helemaal niet. Hij vertelt me dat hij in zijn collegetijd drie keer twee weken geschorst geweest is. Wat bij mij bangelijke vragen triggert. Hoe komt het dat ik dat niet weet? Doordat ik het nooit geweten heb? Of doordat ik het vergeten ben?
Mogelijke antwoorden werpen nieuwe vragen op. Als ik het vergeten ben, moet ik me dan zorgen maken? Alzheimer light? Of stelden we ons toen geen vragen over iemand die twee weken uit de klas verdween? Was dat geen onderwerp van gesprek? Werd zoiets doodgezwegen? Een omerta?
Misschien vind ik een antwoord in het systeem van studiezalen dat daar toen bestond. Je had internen, externen en… de boertjes. Die drie deelden wel dezelfde klas, maar niet dezelfde studiezaal. Internen kwamen bij een pastoor terecht die door ons Soupape genoemd werd (over die mens heb ik hier al iets geschreven). De stedelingen hadden een studiemeester die Doom heette. De boertjes studeerden bij Napoleon (de onlangs overleden Joël Vandemaele) en later bij Pulle. Die laatste bijnaam verwijst naar de blikken drinkbus die de boertjes bij zich hadden en waaraan ik hier eerder al een stukje gewijd heb.
Wilfried Laforce was een externe leerling uit de stad en ik was van de boertjes. De jongens die ik in die tijd leerde kennen waren deze die met de kusttram dagelijks over en weer trokken: Bredene, De Haan, Vlissegem, Klemskerke… Daar zochten we elkaar ook al eens op. Contact met de stedelingen van Oostende was er, nu ik daarover nadenk, nauwelijks of zelfs helemaal niet. 
Zou het daardoor komen dat de herhaalde schorsing van Laforce in mijn geheugen geen spoor achtergelaten heeft?
En hoe gaat het vandaag eigenlijk met de sportman? Uiteindelijk heeft Wilfried zijn studies Lichamelijke Opvoeding wel afgemaakt. Maar lopen doet hij al lang niet meer: ‘Mijn heupen zijn in de powertraining van turnleraar Piet Bultiauw overbelast geworden. Ik kan geen drie kilometer meer lopen. Met inline skates gaat het wel nog.’ En hij heeft een vriend die een zeilboot heeft.
En hoe gaat het met de rebel? Zegt Wilfried: ‘Ik heb het ook vandaag nog altijd moeilijk met onrechtvaardigheid. En als ik die ergens rond me opmerk dan ga ik daar nog altijd tegenin. 10 jaar geleden heb ik de commercialisering van de rusthuizen aangeklaagd. Chris De Stoop heeft daar toen in de Knack een artikel over geschreven en Phara Di Aquirre heeft het op de televisie gebracht.’ Hopelijk werpt het zijn vruchten af, want binnen afzienbare tijd is 't aan ons om daar aan te kloppen.
Flor Vandekerckhove 

donderdag 9 februari 2017

Hoe Eneder B. uit ons geheugen gewist werd

‘De oude waterput, die zo lang naast het Kapelletje 
heeft gelegen en eeuwenlang met diepe eerbied 
is benaderd, is vijfentwintig jaar geleden 
zonder enigerlei plichtplegingen gedempt 
en met de grond gelijk gemaakt. (…) 
Een moderne weg werd er over heen gelegd 
en niets herinnert nog aan zijn vroegere aanwezigheid.’ (*)



—  De Visserskapel van Bredene. Vooraan merkt u de waterput op die in 1961 bij de regularisatie van de Kapel(le)straat gedempt en gesloopt werd . Er blijkt een verhaal achter te zitten. —

Rond de tafel zaten René Dubois, veldwachter van Bredene, burgemeester August Plovie en Emiel Jozef De Smedt, bisschop van Brugge. De twee kwamen er luisteren naar wat Dubois hun te vertellen had. Hij schraapte zijn keel en zegde hun wat volgt.
Terwijl hij zich klaarmaakte om al fietsend over de velden te gaan waken, had Dubois gezien dat Johannes Petrus Jacobus Decoo, die gemeenzaam Ko genoemd werd, met een lange ladder in de weer was.
De veldwachter reed vervolgens, zoals gewoonlijk, de gemeentegrenzen af. De tocht eindigde steevast aan de Visserskapel, waar hij naast de waterput een wijle placht te verpozen.
Dubois merkte meteen de ladder op die boven de rand uitstak. Hij keek in de put en zag daar alleen maar duisternis. Hij herinnerde zich Ko en riep diens naam. De putecho weerkaatste zijn stem, maar van Ko viel geen spoor te bekennen. René verschool zich vervolgens in het struikgewas en wachtte op de dingen die zouden komen.
Die kwamen toen het donker was. Eerst was er gestommel en daarna zag de veldwachter een manspersoon uit de put kruipen. Dubois vatte hem meteen bij de, laat ons zeggen, lurven en nam hem mee naar het bureau. Aldaar noteerde hij diens verklaring.
Plovie en De Smedt luisterden aandachtig: ‘Decoo Johannes Petrus Jacobus verklaart hierbij dat hij via de waterput naar Eneder B. trekt, waar de mensen een dienst verrichten die ondervraagde als “het vervoer van schimmen” omschrijft. Op een laat uur van de nacht horen zij een vage stem die hen samenroept. En zonder aarzelen staan zij op van hun bed en begeven ze zich naar de kust, hiertoe gedrongen zonder te begrijpen waarom. Daar zien zij boten liggen. En zij bemerken dat die volgeladen zijn met een groot aantal passagiers en dat zij door de golven bespoeld worden tot aan de rand, zodat zij niet meer dan een vingerlengte boven het water uitsteken; zien doen zij echter niemand, maar na een uur geroeid te hebben, leggen ze aan in een waterplas die de Mokiups heet. Daar zien ze wel niemand uitstappen, maar hun boot wordt toch veel lichter en ze horen een soort stem die iedere naam afroept van de passagiers die met hen zijn overgekomen.’
— René Dubois was de laatste veldwachter van Bredene. Hij kwam in 1948 in
dienst als agent. In 1956 promoveerde hij tot veldwachter. Dat bleef hij tot zijn
pensionering in 1980. Hij was een graag geziene figuur. Hij werd 90 en overleed
in 2010. —


De erg belezen De Smedt herkende in het verhaal meteen de heidense opvattingen betreffende het dodenrijk, zoals die door de Byzantijnse geschiedschrijver Procopius beschreven zijn. Hij vreesde dat de getuigenis van Ko een heidense heropleving met zich mee zou brengen.
Burgemeester Plovie, die ook geen dwaas was, zag er dan weer een opportuniteit in om de Kapel(le)straat recht te trekken. De put stond daarbij in de weg en de katholieke oppositie wilde uiteraard niet dat er aan geraakt zou worden.
De Smedt beloofde de katholieke tegenstand weg te masseren en Plovie liet een straat over de put leggen zodat niemand eraan herinnerd kon worden. Ko moest als boetedoening vijf jaar in het bisschoppelijk paleis werken. Daarna kwam hij weer naar Bredene, maar over zijn uithuizigheid vertelde hij wel een heel ander verhaal. Wie dat wil kennen klikt hier.
Flor Vandekerckhove

(*) Arie Zwart in De godsdienstige betekenis van de waterput bij het kapelletje
In Gedenkboek 250 jaar visserskapel. 1986. 
Uitg. Organiserend Komitee 250 jaar Visserskapel O.L.V.-ter-Duinen Bredene.

dinsdag 7 februari 2017

Eneder B., de tegenwereld van Bredene

—  Het gebied van Eneder B. wordt ten noorden begrensd door de Noordzee, ten westen door De Bron, in ’t oosten door de wijk Blauwendijk en ten zuiden door de Groene Sluis. —
Schrijven! Stilaan nader ik de zeventig en nog steeds ben ik het aan ’t leren. Deren doet me dat niet, want ik voel me in deze bezigheid erg gesteund door Hilary Mantel die in een schrijversadvies zegt: ‘You must remain a beginner’.
Het veld van de literatuur is overigens groot genoeg. Ik kan totterdood blijven ontdekken, leren en doorgronden. En ook toepassen, want telkens ik weer iets anders leer kennen, wil ik het zelf eens uitproberen.
Fantasy is een genre waarmee ik weinig affiniteit heb. Toch ben ik enkele dagen in de boeken van de Britse fantasyauteur China Miéville gedoken. En nu welt in mij de behoefte op om op mijn beurt een fantasyverhaal te schrijven.
Een technisch probleem is dat zo’n fantasy zich in imaginaire werelden afspeelt. Dat kan een land zijn, zoals het land van Oz van schrijver L. Frank Baums of een continent, zoals Midden-Aarde uit Tolkiens In de ban van de ring. In Station Perdido van Miéville is het een stad die Nieuw Crobuson heet.
Van al die imaginaire werelden bestaan, zo heb ik tijdens mijn onderzoekje vastgesteld, landkaarten en stadsplannen. Je moet zelf maar eens kijken, ik heb er een aantal onder dit stukje verzameld.
Mocht ik zelf zo’n fantasyverhaal schrijven dan zou dat zich afspelen in Eneder B. Ook daar bestaat trouwens een plan van, ik plaats het bovenaan dit stuk.
Ten noorden wordt Eneder B. begrensd door de Noordzee en ten zuiden door een wijk die De Groene Sluis heet. Ten oosten wordt de grens gevormd door de Blauwendijk en een spuikomachtige watermassa die door de bewoners van Eneder B. de Mokiups genoemd wordt. Ten westen markeert De Bron de grens.
De Bredenaars die deze blog aandachtig volgen — en dat zijn er nogal wat — hebben intussen al zo’n vermoeden. De map van Eneder B. lijkt ietwat op het grondgebied van hun eigen gemeente. maar dan in spiegelbeeld. Komt het daardoor dat sommigen in Eneder B. het omgekeerde van Bredene menen te lezen? En is de naam van de watermassa ten westen van Eneder B. niet Mokiups, een anagram van Spuikom, een waterpartij die in de reële wereld ten westen van Bredene ligt? Is het toeval dat Bredene ten westen ook nog begrensd wordt door de Groenendijk en dat het imaginaire Eneder B. ten oosten een grens heeft die de Blauwendijk heet?
Goed opgemerkt, zou ik zeggen, en daar zou ik wellicht scherp gezien aan toevoegen, want Eneder B. waar ik mijn fantasyverhaal laat afspelen is het tegenland van Bredene.
Hoe heb ik dat land ontdekt? Hoe komt het dat u het op uw wandelingen niet ziet liggen? Waar kunt u het zelf ontdekken? Misschien is dat wel het verhaal dat ik wil vertellen, misschien wel, ja.
Kortelings op dit scherm! Komt dat zien! Komt dat zien!

Flor Vandekerckhove

— De Mdden Aarde van Tolkien. —
— New Crobuzon van China Miéville. —

zondag 5 februari 2017

China Miéville, een inleiding in de fantasy

— Francisco de Goya: De slaap van de rede brengt monsters voort. (1797-1799) —

Verleden week lees ik voor het eerst iets over The Last Days of Paris (2016), het nieuwste boek van de Britse fantasyauteur China Miéville. Het herinnert me eraan dat ik me ooit voorgenomen heb om me een beetje in het genre te verdiepen.
Eerder heb ik al iets soortgelijks ondernomen voor de western, de noir en ook voor de gothic, een genre dat het ook van de griezel moet hebben. Het zijn vooral producten uit de wereld van de pulp, stationsromannetjes en B-films, genres die men tot de lagere cultuur rekent.
Zelf leerde dat bad me dat sommige auteurs een interessante visie hebben op het verband tussen het genre dat ze plegen en de maatschappij waarin dat tot stand komt. Dat geldt onder anderen voor J.G. Ballard en Neil Gaiman. Daarnaast kwam ik te weten dat er nogal wat linkse auteurs zijn die zich in die genres gespecialiseerd hebben. Dat geldt ook voor China Miéville. Hij is niet alleen een succesrijk auteur van fantasyverhalen, hij is ook een trotskist. Wat een combinatie!
Het is trouwens in een trotskistisch blaadje dat ik een interview met Miéville vind dat me nu introduceert in de wereld van de fantasy.
—  China Miéville (1972) schrijft fantasy,
doet aan politiek en
doceert aan universiteiten.
De proffen zien er vandaag anders uit
dan in mijn tijd. —
Er zijn, zegt Miéville, drie redenen waarom socialisten zich voor dat verschijnsel moeten interesseren. Ten eerste is het een immens populair genre. Hoe dat komt is een interessante vraag. Daarnaast wantrouwt hij critici die de ‘goede smaak’ verdedigen en ten derde lijkt het erop dat er ‘een vreemde affiniteit bestaat tussen radicale politiek en fantasy. Er zijn veel auteurs van fantasy en science fiction die zich op een of andere manier ter linkerzijde bevinden. Iain Banks is een socialist, Ken MacLeod en Steven Brust zijn trotskisten, Ursula Le Guin en Michael Moorcock zijn linkse anarchisten, en er zijn er nog, een lijn die tot William Morris teruggaat en verder. Dat geldt ook voor het surrealisme, misschien wel het hoogtepunt van het fantastische in de kunsten.’
In dat interview haalt Miéville twee marxistische auteurs aan die interessante boeken over het verschijnsel geschreven hebben: ‘Wellicht heeft Darco Suvin, de theoreticus van de SF, het meest invloedrijke marxistische standpunt geleverd in Methamorphoses of Science Fiction (1979). Hij staat politiek achter SF die hij verwant acht met het vooruitstrevende project, vooral in de kindertijd van de burgerlijke maatschappij. Hij zegt dat SF gekarakteriseerd wordt door ‘cognitieve vervreemding’ — het opereert volgens een rationeel/wetenschappelijke manier van denken, maar het betrekt daarin vervreemding van het hier en nu, zodat het daar creativiteit kan aan toevoegen. Fantasy daarentegen zag hij als een genre dat zich wijdt aan het anti-cognitieve (…) gewoon een andere griezelige kick ... een sub-literatuur van mystificatie.’ Suvin heeft zijn mening inmiddels herzien, zegt Miéville, maar zijn oorspronkelijke negatieve oordeel is nog altijd heel invloedrijk.
Miéville zegt verder dat hij veel socialisten kent die de fantasy verwerpen omdat daarin sprake is van geesten en magie, fenomenen waaraan we als marxisten geen geloof hechten. Literatuur die beweert dat spoken bestaan vinden zo’n socialisten dubieus: ‘Volgens mij is dat een verkeerde opvatting van wat kunst is. Ik heb spookverhalen geschreven — dat betekent geenszins dat ik in geesten geloof. Ik schrijf een verhaal dat niet de pretentie heeft een directe representatie te zijn van de echte wereld. De suspension of disbelief is cruciaal.’
Het andere marxistische boek over fantasy is José Monleons A Specter is Haunting Europe: A Sociohistorical Approach to the Fantastic (1990). Volgens deze auteur reflecteert fantasy het bekende beeld van Goya: De slaap van de rede brengt monsters voort: ‘Ik denk dat dit echt een nuttig startpunt is’, zegt Miéville, ‘Goya tekent een slapende mens die bedreigd wordt door verschillende fantastische schepsels. Monleon zegt — terecht, zo denk ik — dat Goya een verband van oorzaak en gevolg blootlegt tussen rede en onrede.’
‘De oorspronkelijke omarming van het wetenschappelijke denken in het kapitalisme was progressief in vergelijking met wat daaraan voorafging (…) Maar we weten ook dat het kapitalisme (…) de arbeidersklasse en diens emancipatorische politieke project onderdrukt. (…) Het spook van de revolutie, zegt Monleon, lijkt aan de basis te liggen van deze herintrede van de onrede in het algemeen en van het fantastische in het bijzonder. (…) De kapitalistische rationaliteit produceert haar eigen monsters.’
Ter linkerzijde wordt fantasy nogal eens weggezet als iets wat dient om de realiteit te ontvluchten. Miéville denkt daar anders over: ‘De maatschappij zit bij je op de stoel wanneer je een boek schrijft of leest. Je kunt niet ontsnappen aan je geschiedenis of je cultuur. Het is bijgevolg belachelijk te denken dat boeken die het niet over de echte wereld hebben eraan ontsnappen. Fantasy wordt nog altijd geschreven en gelezen doorheen de filters van de realiteit (…)’
Het interview sluit af met een aantal directe vragen over het schrijven van fantasy en revolutionaire politiek. Daarin zegt Miéville een aantal zaken die mijns inziens opgaan voor alle literaire fictie en zelfs voor alle kunstuitingen. Wat ik daar zelf over denk heb ik hier eerder al geschreven. Zegt Miéville: ‘Zodoende creëer je een mentale ruimte (…) die het onmogelijke herdefinieert (of dat pretendeert). Psychologisch en esthetisch is dat een erg radicale daad. Het laat ons toe (…) om op een andere manier over de mogelijkheden van de realiteit na te denken.’
China Miéville slaagt er wel in om ondanks al die fantasy de voeten stevig op de grond te houden: ‘Ik hou passioneel van bizarre fictie, spookverhalen, griezelverhalen en SF, maar ze gaan de wereld niet veranderen. Dat is de reden waarom ik een romanschrijver ben èn een revolutionaire socialist.’

Flor Vandekerckhove